OKK

Muziekvereniging "Oefening Kweek Kunst" Westkapelle, opgericht 26 november 1908

De Westkappelse muziekvereniging OKK, voluit: Oefening Kweekt Kunst, is al meer dan een eeuw een vaste waarde binnen het culturele leven in het dorp. De vereniging bestaat uit een brassband, een slagwerkgroep en een drumband. Zij laat zich binnen en buiten Westkapelle regelmatig zien bij concerten, concoursen, rondwandelingen en uitvoeringen.

Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de vereniging in 2008 beschreef Jan Kaland de lotgevallen van OKK in wat hij noemde "De eeuw van mijn OKK". Hier volgt de enigszins geactualiseerde versie van dit verhaal:

Het begin
Toen het legendarische “viegeschip” op de dijk liep, in de stormachtige nacht van 26 novem­ber 1887, was het dijkwerkerszoontje Arjaan Huibregtse daar niet bij weg te slaan. “Queen of the Isles” was de lyrische naam van het door de bemanning verlaten en alhier dus on­verwijld van zijn vracht vijgen en amandelen verloste pechschip. Het was Arjaan niet kwalijk te nemen dat hij zo'n naam niet correct uitsprak. Maar een bij­naam heb je zó in Westkapelle en zodoende ging Arjaantje sedertdien als “Ku-êên” door het leven.
Of de vijgebootsong nog in zijn hoofd zat, vertellen de kronieken niet, maar precies 21 jaar later liep Ku-êên weer voorop toen deze keer geen schip maar de muziek op de dijk aanlandde. Zo werd hij de eerste vaandeldrager van het fanfarekorps OKK.
En zo heel erg logisch was dat in die dagen nog niet, een dijkwerker die lid werd van de muziek. In die kringen had je heel wat andere zorgen en kon je je dergelijke frivoliteiten niet veroorloven. De meesten van het groepje mannen dat op 26 november 1908 de oprichting van OKK uit­riep, behoorden dan ook tot de gegoede burgerij. De bekendsten onder hen waren Marinus Dieleman, onderwijzer, Lou Minder­houd de goudsmid, L.M. Verheul, opzichter kustverlichting en ook Jakob Roelse, toen nog molenaarsknecht maar vol ambitie en later zelfstandig molenaar op “De Noorman”.  
De naam voor de vereniging hadden ze rap be­dacht: Oefening Kweekt Kunst, niet echt origineel en naar de geest van die tijd een beetje moralise­rend. Wel dezelfde naam als die van de kort daarvoor ter ziele gegane zangvereniging. Het zal geen toeval geweest zijn dat veel van de eerste muzikanten daarvòòr al actief waren in die zangvereniging OKK.

De eerste muzikale schreden 1908-1920
Eindelijk was het er dan van gekomen, een fan­fare in Westkapelle. Dat raakte tijd ook, want overal elders hadden de muziekkorpsen in de jaren daarvoor al het licht gezien, ook op Walcheren. Aan gebrek aan enthousiasme lag het niet en toen ze eenmaal begonnen waren ging het snel. Al na enkele maanden repeteren in de openbare school onder  leiding van de tot dirigent benoemde kerkorganist Hendrik de Vos, kon OKK zich aan de plaatselijke bevolking presenteren. De muzi­kale rondgang startte bij de hofstede achter de toren en de verraste Westkapellaars hoorden de Recruten­mars steeds dichterbij komen. De wijs van deze beginners­mars zou de toehoorders nog lang heugen want iets anders had OKK nog niet te bieden. Ons korps had dus al een paar keer “da capo” moeten maken voordat de dorpsbebouwing goed en wel was bereikt. En het hield maar niet op. Niet iedereen op het dorp was even toegankelijk voor de nieuwe culturele ontwikkelingen. Een de andere dag nog onthutste vrouw stamelde: “ 'k zag Lou van Kee van Janse deur straete komme mee een fluitje en ik vloog van schaemte nih de geite”.

Maar de tonen waren gezet. OKK werd al ras een echte fanfare van een redelijk muzikaal niveau en met een uitgebreid repertoire. En daar hoorde nog meer bij. Als je De Dijk mag geloven, dansen muzikanten niet maar hangen ze liever aan de bar. Ook toen al. De drankvrije school kon nog net aan volstaan voor de repetities maar voor de uitvoeringen verhuisde OKK omstreeks 1910 liever naar “Het Kasteel van Batavia”. De dirigent had daar minder mee op. Als kerk­organist kon hij zich bezwaarlijk bekeren tot   “Wein, Weib und Gesang” en OKK moest op zoek naar een nieuwe directeur. Die werd ge­vonden in M.A. Romijn, onderwijzer te Dom­burg en aldaar ook directeur van het al langer bestaande Apollo.
Met hem ging OKK deelnemen aan muzikale manifestaties buiten het dorp. Een foto uit 1912 toont OKK voor het station te Vlissingen op weg naar een festival te Goes. Zo'n 25 mannen, de meesten in chique burgerpakken, weinigen  met  boezeroen en pilo buis, iedereen wel al voorzien van een nieuwe uniformpet.   
De grote oorlog van 1914-1918 ging, ook al waren we neutraal, zeker niet ongemerkt aan Westkapelle en OKK voorbij. De mobilisatie bracht veel militairen in het dorp. Ook waren er oorlogsvluchtelingen uit België. Op de dijk kon je soms het kanonnengedaver van het West-Vlaamse slagveld horen. Een op  de dijk ont­plofte zeemijn kostte 9 personen het leven. In zulke omstandigheden stond het sociale leven en ook de muziek op een laag pitje. Toch zouden die jaren bepalend zijn voor OKK. Onder de in Westkapelle ingekwartierde militairen was ook een begaafd musicus, die ze in 1915 wisten te strikken als dirigent van het orkest. Piet de Rooij was zijn naam en hij zou ruim 50 jaar zijn zware stempel gaan drukken op de muzikale verrich­tingen en het imago van OKK.

Ups en downs in de jaren 20 en 30
Na de nogal deprimerende eerste decennia van de 20e eeuw werd de wereld overspoeld door een golf van optimisme, technologische vooruitgang en culturele ontwikkelingen. OKK dreef daarop mee; het had zijn plaats in de Westkappelse ge­meenschap verworven en speelde met zijn con­certen, rondgangen, uitvoeringen en muzikale vorming een toonaangevende partij in het sociaal-culturele leven. Een trotse fanfare die Westkapelle in en buiten de provincie vertegen­woordigde. Naar de Franse oorsprong van het fanfarekorps had ook het repertoire overwegend Franse tintjes. De programma's van de jaarlijkse uitvoeringen, bij toerbeurt gehouden in “Het Kasteel van Batavia” en “Het Koffiehuis” ver­melden titels als Les Saltimbanques (Strauwen), Une Soirée d' Automne aux Ardennes (Govaert), Ouverture Antigone (Rousseau), La Perle du Lac (Delbeque) en Les Dragons de Vilarts (Maillart). En toen ook al de eerste arrangementen en marsen van Piet de Rooij zelf: Majoor Goldy-marsch, Souvenir de Westkapelle, Jubeltonen en later The Flushing Pier. En ook toen al was duidelijk dat OKK niet alleen muzikale talenten in zijn gelederen had, maar ook gedreven en bedreven acteurs. Altijd werd de muziek ge­combineerd met toneel­stukken of sketches en dat zou lange tijd een succesformule blijven.
Aan de opgaande lijn komt een eind door de economische crisis, ingeluid in 1929. Want die ging vanzelfsprekend ook niet zonder zorgen aan OKK voorbij. De grootste problemen van die tijd zijn de financiële nood van de vereniging en het dalend aantal leden. In 1929 had OKK nog ruim ƒ 200 in kas,  in 1933 is dat nog slechts ƒ 60,59. Telkens verzuchten de voorzitter (toen “meester” P. de Vos en de penningmeester (nog steeds Jakob Roelse) “al het mogelijke te doen en te trachten de inkomsten te verhogen door bazaravond of iets dergelijks”. Dankzij een bazar en bijdragen van de burgemeester en de dokter is er  in 1933/1934 inderdaad een kleine financiële opleving. De penningmeester kan onder applaus een kasstand van ƒ 767 melden. Maar daarna gaat het weer gestaag bergafwaarts en niet alleen financieel. Ondanks een zekere zelfgenoeg­zaamheid bij het bestuur gaat het niet echt goed met OKK: geld voor instrumenten is er niet, van deelname aan concoursen wordt afgezien vanwege de geringe bezetting en de hoge reiskosten, zelfs concerten worden te duur. Kennelijk is het dameskoor beter bij kas want dat is bereid de kosten van coulissen geheel voor eigen rekening te nemen in plaats van die met OKK te delen. Tot overmaat van ramp gaat de gemeente moeilijk doen over repetities in de school omdat de kosten van de verlichting te hoog worden. In 1936 is het zo krap geworden dat om te bezuinigen repetities worden geschrapt en dat zelfs de generale repetitie voor de uit­voering niet kan doorgaan vanwege “het hoge cijfer directeur”. Ook de donateurs laten het afweten, “mogelijk wel door de minder gunstige tijdsomstandigheden”, zoals de secretaris meldt. Gelukkig zijn er 4 lichtpuntjes: de gemeente zorgt in 1935 voor 4 carbidlampen, want niet alleen bij repetities maar vooral bij de rondgangen is de verlichting steeds een onder­werp van grote zorg en geweeklaag. In dit op­zicht is er na 100 jaar weinig nieuws onder de zon. De ambitie van de directeur is groter dan die van de muzikanten, wat weer leidt tot klachten over de zwaarte van de nummers en zelfs afzeggingen van leden. Veel kommer en kwel en gemopper en gezeur over van alles en nog wat. Zo deugt de verlichting niet, de grote trom is te zwaar en er woedt een zware discussie over “de houding van de leerling A. Huibregtse, die de laatste weken zo weinig animo toont”. Hij wordt dan ook gesommeerd op de repetities aanwezig te zijn “daar hij anders het instrument dat hij onder zijn beheer heeft zal moeten in­leveren”. Ook anderen moeten overigens steeds worden aangespoord naar de repetities te komen, zeker als de 2e dirigent, Jan Brasser, de leiding heeft.  
Toch zijn er in de laatste jaren voor de oorlog ondanks de financiële nood veel muzikale activiteiten en wordt OKK steeds belangrijker  als er in de dorpsgemeenschap iets te vieren valt, zoals “het huwelijksfeest van het vorstenhuis” in 1937.

Storm op til
Financiële nood, de bezetting van het korps en de kwaliteit van de instrumenten, dat zijn de zaken die OKK in de laatste jaren voor de oorlog in beroering brengen. Het lijkt erop of de politieke en maatschappelijke spanningen en het naderend onheil voor OKK niet bestaan. In het repertoire en de huishoudelijke zaken zien we eerder een soort van optimisme. Op het programma staan nummers als de Lente-ouverture (Cerfontaine), een Fantasie humoris­tique (Klein) en Flying Dutchmen still going strong (Houet) en opgevoerd worden “komische duetten voor 2 heren” als De Boemeltweeling en Het mislukte consult.
In 1939 was de contributie verhoogd tot een dubbeltje per week. Op 21 maart 1940 besluit men om al in september een bazar te houden omdat vanaf oktober 1940 de Maatschappij De Schelde de school voor een deel in beslag zou nemen. En gelukkig kon OKK ook weer eens deelnemen aan het pinksterconcours. Het zou in Middelburg zijn, dichtbij huis en dus weinig reiskosten. Maar het concours zou er nooit komen. De vrijdag voor Pinksteren, op 10 mei zou het oorlogs­geweld ook over Zeeland losbarsten; de vrijdag na Pinksteren werd voor Middelburg “vreselijke vrijdag”.
In de eerste oorlogsjaren gaan de verenigings­activiteiten “gewoon” verder, al zijn er geen uitvoeringen meer wegens “zware omstandig­heden”. In 1942 worden nog 3 mensen als lid toegelaten en kan OKK nieuwe instrumen­ten aanschaffen. Maar na een vergadering op 14 april 1943 wordt het stil. Onder de dodelijke slachtoffers van de bombardementen van oktober 1944 was één OKK-muzikant en ook gingen de meeste instrumenten en de gehele muziek­bibliotheek verloren.

Wederopbouw en bloei in de jaren 50 en 60
Als de dijk dicht is beginnen enkele bestuurs­leden al snel weer te denken aan de muziek. Maar niet iedereen kan in de ontreddering van die tijd al direct het nodige enthousiasme opbrengen. Een bestuurs­vergadering in augustus 1946 eindigt nog in mineur met weinig hoop op voortzetting van de vereniging. Maar toch is er iets in beweging gebracht. Voor zover ze dat. nog niet wisten, worden de oude leden via de dorps­omroeper uitgenodigd zich te melden. En er komt hulp van buiten, van de bond en andere verenigingen. De grote animator is Jons Viruly, een oud-dorpsgenoot en verbonden aan het weekblad De Groene Amsterdammer. Een actie via dit blad levert genoeg geld op voor zo'n 30 nieuwe instrumenten. Vanaf 1947 begint OKK weer langzaam op toeren en op toon te komen en is van mineur naar majeur gemoduleerd.
In de jaren vijftig bloeit en bruist het vereni­gings­leven in Westkapelle. Ook met OKK gaat het crescendo met Piet Minderhoud als voor­zitter. Onder auspiciën van de Stichting “West­kapelle Herrijst” werken alle verenigin­gen samen aan de bouw van een nieuw verenigings­gebouw en een muziektent. Architect is het OKK-bestuurslid Willem Roelse, die veel kunstzinnige details zelf voor zijn rekening neemt.   
Regelmatig neemt de fanfare weer deel aan concoursen. Onder een bezielende leiding van Piet de Rooij gaat het muzikale peil omhoog, met als voorlopig hoogtepunt een eerste prijs met de beker in 1952. In 1953 mag OKK zelf het concours organiseren in de nieuwe muziektent op de Markt. De verwachtingen over de eigen muzikale prestaties zijn hoog ge­spannen maar het resultaat valt wat tegen. De dirigent heeft met zijn nummerkeuze (Ouverture Rembrandt van G. de Roeck) zijn orkest overschat en ook zichzelf, zo oordeelt de jury.
Toch zijn de toppen nog lang niet bereikt. OKK weet jong en oud aan zich te binden en in 1956 presenteert een jeugdorkest van meer dan 30 leerlingen zich. Niet minder belangrijk is dat voor het eerst ook meisjes mee gaan blazen. En slaan, want er zijn nu niet alleen blazers maar ook “tamboers”, zoals slagwerkers toen nog heetten.  
Op het repertoire van de jaren vijftig staan karakterstukken als Roodkapje in het Bos (Wiest) en In een Chinese Tempeltuin (Kétèlby). Operettemuziek en Wiener walsen zijn dan erg populair en ook OKK is daar dol op: Die Czárdasfürstin (Kalman), Wiener Praterleben (Translateur), Hochzeit der Winde (Hall), Münchner Kindl (Komzàk), Wiener Mädel (Ziehrer), Der Vogelhändler (Zeller), Die Lustige Witwe (Léhar). En zoals Alfred Hitchcock zich­zelf altijd even liet zien in zijn films, zo doet Piet de Rooij dat via OKK. Geen uitvoering of concert zonder een schakel uit zijn marsenketen: Gezagvoerder Viruly, Nieuw Walcheren, Westkapelle-mars, De Casembroot-mars, De Campveersche toren,  Zeeland Presenteert, Met Vrij en Blij op stap en voor het eerst ook zijn Westkapelle-potpourri van “Ouwerwesse”.
OKK overtreft zichzelf met de jubileum­uitvoe­ring van 1958, waarin het met eigen mensen, decors en kostuums de operette De Boemelbaron van Walter Kollo voor het voet­licht brengt.
OKK is een grote fanfare geworden met aanzien in de gehele provincie. Regelmatig eerste prijzen op concoursen en in 1960 zelfs promotie naar de ere-afdeling.
Daarnaast is er de Boerenkapel met Jan Cijsouw als dirigent, die in Westkappelse klederdracht overal festiviteiten opluistert, met feestelijke liedjes en Egerländer walsjes. Een groot succes zijn de optredens voor de badgasten in het toen nog chique Hotel Brittannia in Vlissingen. De markante band­leider kreeg Brittannia wel plat door de nummers op zijn geheel eigen wijze aan te kondigen: “Dames en heren, de boerenkapel gaat nu een walsje voor u spelen; het heet 'Nie vergessen' en dat betekent 'Vergis je niet !' .

Financiële zorgen kent OKK nauwelijks meer nadat in 1961 begonnen wordt met het inzame­len van oud papier. Daardoor wordt het eindelijk mogelijk de muzikanten in uniform te steken in plaats van alleen maar een pet. Totale uniform­kosten in 1961: ƒ 8.648, 35. Bij de uniformen behoort ook een nieuw vaandel maar zo'n militair aandoend attribuut geraakt in de jaren 60 al snel uit de gratie.  
Onder de muzikanten zijn zoveel tamboers dat er geleidelijk aan gesproken kan worden van een aparte drumband. Nadat in 1964 M.C. Vuijck, marineman uit Vlissingen, als instructeur is aangetrokken krijgt de drumband vaste vormen met een heuse tambour-maître en succesvolle deelname aan marsconcoursen.

Zo halverwege de jaren zestig keert het tij. In 1966 stapt Piet de Rooij na meer dan 50 jaar van het dirigentenbankje. Vervanging gaat moeizaam en de wisselende dirigenten daarna (W.H.G. Timmermans, J. Boon) kunnen de malaise niet keren. OKK boekt matige concoursresultaten en kampt met een ontoereikende bezetting. Ingrijpender is dat overal de wereld en de mentaliteit danig beginnen te veranderen. In Westkapelle wat later dan in San Francisco, maar toch onafwendbaar en duidelijk. Jongeren hebben andere interesses dan het fanfarekorps en het ledenaantal en de publieke belangstelling lopen drastisch terug. Men wijt het vooral aan de televisie maar de blaasmuziek verliest toch vooral de aansluiting op muzikaal gebied. OKK lijkt al de maatschappelijke en muzikale omwente­lingen nauwelijks te beseffen al oppert een jonge saxofonist nog wel om “swingmarsen” op het programma te zetten. Maar het enige weerwerk dat OKK kan bieden, zit in nummers als Vous Permittez Monsieur (Adamo), Teenager Fantasie (Ever­aarts) en Puppet on a String (Martin/Coulter). Tegen de Beatles en de Stones is dat een ongelijke strijd, laat staan tegen Bob Dylan en Jimy Hendrix.

Nieuwe wegen na 1970
Amateurmuziek, dat was altijd fanfare of har­monie. Een uit Engeland overgewaaid fenomeen, de brassband, gaat deze vanzelf­sprekendheid doorbreken. Op instigatie van de in 1971 aan­getreden dirigent Piet Wisse verandert ook OKK zich van een fanfare in een brassband. Deze toch wel ingrijpende ommezwaai voltrekt zich bijna geruisloos en zonder dat daar een discussie in de ledenvergadering aan wordt gewijd. De voor­delen zijn duidelijk: een andere, meer bij de tijd p­assende sound en belangrijker nog, in een tijd van ledenschaarste kan worden volstaan met een kleinere bezetting zonder saxofoons.
De gelegenheid wordt aangegrepen om een geheel nieuw instrumentarium aan te schaffen, natuurlijk ook geënt op de brassbandbezetting. Geen saxen en bugels meer maar cornetten, schuif- in plaats van ventieltrombones en de tuba's heten nu euphoniums. Niet meer van het vertrouwde merk Schenkelaars maar nu natuurlijk het Engelse Besson. Tegelijkertijd een drastische verandering van het repertoire want de voor een fanfarebezetting geschreven muziek is nu niet meer goed speelbaar. Op het programma overheerst nu de muziek van de overzijde van de Noordzee:  The Young in Heart (Ball), The Pirates of Penzance (Sullivan), Suite Three Days (Rimmer), Fantasy on British Seasongs (Langford) en ook, in de stijl van de Salvation Army-brassbands, de Engelse hymnes als Sandom en Nearer my God to Thee.
In 1973 spreekt voorzitter Minderhoud de hoopvolle verwachting uit dat we een moeilijke periode te boven komen en inderdaad is met de brassband weer een opgaande lijn ingezet die doorzet tot in de jaren negentig.
Het duidelijke muzikale stempel komt van Ronny de Rooij, die vanaf 1976 als dirigent de muzikale lijnen uitzet. Onder zijn leiding weet OKK een evenwicht te bereiken tussen de muzikale prestaties en gezelligheid en saamhorigheid. Het repertoire wordt gemoderniseerd en de nadruk ligt nu op speciaal voor brassband geschreven eigentijdse muziek van Engelse, Nederlandse en Belgische componisten, als Philip Sparke, Jan en Jakob de Haan en Jan van der Roost. Ook de populariteit van musical en film is in de programmering terug te vinden, evenals voor brassband gearrangeerde popmuziek. De muzikale prestaties zijn wisse­lend, maar toch weet OKK de nodige successen te boeken. Door eerste prijzen bij concoursen behaalt  de brassband het landelijke KNF-kampioenschap in de basisklasse met optredens in het Amphion-theater in Doetinchem en Musis Sacrem in Arnhem.
De muziek spreekt vooral in de jaren tachtig en negentig weer veel mensen aan en dat toont zich door een grote publieke belangstelling voor optredens, vooral de uitvoeringen, waar­voor één avond niet meer volstaat. Een grote publiekstrekker blijft traditioneel de combinatie van muziek met toneel en revue. Ware succes­nummers zijn de geheel eigen jubileum­producties “Uit het leven van een tachtigjarige” in 1988 en “OKK goes USA” in 1998.
Vanaf het eind van de jaren negentig is er helaas weer een neergaande trend merkbaar. Jongeren weet OKK steeds minder te bereiken en als ze er al zijn, raken het hen weer snel kwijt doordat ze elders gaan studeren of werken. Maar er is gelukkig nu ook een ander muzikaal spoor. De drumband heeft zich ontwikkeld tot een veelzijdig en eigentijds slag­werk­ensemble, met niet alleen meer trommels maar een uitgebreid slagwerkinstrumentarium, waaronder melodische instrumenten als xylofoon, klokkenspel en marimba. De drijvende kracht achter de slagwerkgroep is Cora Knuijt-Dellebeke, die met haar muzikale talenten en haar gedreven­heid het niveau opstuwt en ook het publiek aangenaam weet te verrassen.  

OKK wat nu  ?
“Kleiner Mann, was nun ?”, die vraag zou OKK zich, in navolging van de schrijver Hans Fallada, na 100 jaar kunnen stellen.  
OKK zag het licht aan het begin van de 20e eeuw, in hetzelfde jaar als de voetbalclub Feijenoord; het jaar ook waarin andere muzikale grootheden als Lionel Hampton, Herbert von Karajan, Cor Lemaire en Olivier Messiaen werden geboren. Al met al geen verkeerde lichting.  
Westkapelle was in dat geboortejaar nog een geïsoleerd en armoedig dijkwerkers­dorp, waarin de tijd scheen te hebben stilgestaan. De eeuw die volgde, de eeuw dus van OKK, werd de bloedigste uit de geschiedenis en bracht de wereld meer en grotere veranderingen dan hij had gezien in de voorafgaande 10 eeuwen samen. Westkapelle en OKK hebben van dat alles ruim hun deel gekregen, in de goede zowel als in de kwade dagen.  
Opgaan, blinken en verzinken en dat keer op keer herhaald als de Recrutenmars, daarmee kun je de eeuw van OKK samenvatten. En of dat de volgende 100 jaar weer gaat lukken ....? We mogen rekenen op nòg een eeuw OKK, maar niet al te vast.  
De 2e OKK-eeuw is een beetje in een mineurstemming begonnen. Het sociaal-culturele klimaat in Westkapelle lijdt onder de vergrijzing en maatschappelijke ontwikkelingen en ook OKK lijkt een beetje weg te kwijnen.
Tegelijkertijd is de nieuwe OKK-eeuw begonnen met een nieuwe dirigent. Ronny de Rooij heeft zijn stokje overgedragen aan Arian de Visser uit Middelburg. Deze jonge, ambitieuze musicus kan OKK nieuwe successen brengen en, belangrijker nog, zijn bijdrage leveren aan het voortbestaan van dit muzikale monument in het Westkappelse culturele leven.

Meer over OKK

Gepl. maart 2011, geact. 24 juni 2015