Frieda Rutgers van der Loeff- Mielziner

Frieda Mielziner (Braunsweich, Duitsland, 22 mei 1877 - Alkmaar, 21 november 1948), schilderes

Frieda werd in Duitsland geboren als een dochter van de Deense koopman Benno Jacob Mielziner en de Italiaanse Maria Theresia Widman. Ze kreeg een strenge Duitse opvoeding, die niet zo bij haar levenslustige karakter paste. Daarom ging ze na de middelbare school studeren aan de Kunstacademie te Kopenhagen. Na haar huwelijk in 1902 met Ari Rulf woonde en werkte ze jarenlang in Brussel. Ze kregen samen twee dochters en een zoon. Haar oudste dochtertje stierf op vijfjarige leeftijd aan difterie en haar andere dochter stierf later in 1944 in een concentratiekamp. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 werd ze als ongewenste vreemdeling vanwege haar Duits staatsburgerschap samen met haar kinderen bij Sluis de grens overgezet. Haar man bleef in Brussel wonen en stierf daar enkele jaren later. Na wat omzwervingen door Zeeuws-Vlaanderen kwam ze in Middelburg terecht, waar zij in 1918 opnieuw trouwde met de kapitein (later kolonel) der infanterie Manta Rutgers van der Loeff.

Haar onderwerpen zijn vooral portretten van Zeeuwse en Volendamse vissers en boerentypen, vrouwenfiguren en bloemstillevens. Rutgers van der Loeff hoorde bij de Bergense School en was dan ook lid van het Kunstenaars Centrum Bergen (KCB).
Wat opvalt, is dat ze door bijna iedereen die haar ontmoet heeft, wordt omschreven als een tenger, vitaal, beweeglijk, vriendelijk, klein vrouwtje. Schilderen is haar passie. De kunstrecensenten zijn vaak verbaasd dat zo'n klein vrouwtje zulke grote, krachtige doeken kan schilderen. Overal waar ze woonde, heeft ze gewerkt en ook geëxposeerd. Haar schilderijen wilde ze echter nooit verkopen. Ze beschouwde ze als haar kinderen en kon er geen afstand van doen. Dat verklaart waarom zo weinig over haar kunst bekend is. Haar werk is voornamelijk te zien bij familie en bij particulieren. Voor zover bekend hebben alleen het Limburgs Museum, het Zeeuws Museum en Kunsthotel Spaander in Volendam werk van haar in bezit.

Zeeland en Westkapelle
Vanaf omstreeks 1914 verbleef ze in Middelburg en hier nam ze deel aan het kunstenaarsleven van die tijd en leerde daar o.a. Reimond Kimpe en Louis Heymans  kennen. In Vlissingen kreeg ze jarenlang les van de schilder Gerard Jacobs. Zelf zegt ze hierover: “Daar heb ik veel geleerd en in een club van tien, waarin wij naar model tekenden, gewerkt. Dat was een gelukkige tijd. Ik heb daar ook Jan Toorop ontmoet, aan wie ik de prettigste herinneringen bewaar.” In Middelburg schilderde ze het stadhuis, de mooie gevels, de pittoreske straatjes en achtertuinen of de boeren en boerinnen op de markt.

Zeeuwse boerenfamilie op de markt in Middelburg, olieverf op doek, jaartal onbekend, particuliere collectie


Zeeuwse boer, olieverf op doek, 73x59 cm, particuliere collectie

Tussen 1920 en 1940 verbleef ze regelmatig enkele weken of soms een maand achter elkaar in Westkapelle. In die periode leerde ze “het stugge volk der Westkappelaars” kennen. Ze voelde zich tot het dorp en de bewoners aangetrokken. Ze tekende en schilderde talrijke portretten, soms grote groepsportretten, straatjes en stillevens. Voor de Duitse krant Kaldenkirchse Wochenpost schreef ze in 1932 het artikel “Westkapelle und seine Bewohner. Aus einem der interessantesten Dörfer Hollands”, geïllustreerd met haar prachtige tekeningen o.a. van de vuurtoren en Westkappelse vrouwen en mannen in klederdracht.

Westkapelse meisjes, houtsnede, 300x220 mm, Limburgs museum, Venlo

Waarschijnlijk huurde ze een huisje en de toen nog jonge Maria Johanna Cijsouw-Kaland (1909-1975) heeft bij haar als dienstmeisje gewerkt. Dit is bekend geworden door de vondst van een bijzonder koffertje op de zolder van de familie Cijsouw. Daarin bewaarde Marie alle aan haar gerichte brieven van Frieda en een aan Frieda opgedragen gedicht dat Marie schreef in 1936 n.a.v. Frieda's vertrek uit Westkapelle.
Eén van de dichtregels luidt: “Want door ons stille dorpje, verspreidde zich den roem / Van ’t kleine, vreemde vrouwtje, zoo lieflijk als een bloem.”

Breiend meisje, jaartal onbekend, particuliere collectie


Westkapelle, olieverf op doek, jaartal onbekend, particuliere collectie

Overplaatsing naar Venlo en Bergen(NH)
In 1930 werd haar man overgeplaatst naar Venlo. Tijdens haar verblijf in Venlo schreef ze wekelijks artikelen voor het Duitse streekblad de Kaldenkirchse Wochenpost, die ook in Venlo werd gelezen. Daar is het eerdergenoemde artikel “Westkapelle und seine Bewohner. Aus einem der interessantesten Dörfer Hollands" ontstaan. Inmiddels had ze Volendam ontdekt, waar ze de vissersbevolking schilderde. Hier raakte ze net zo bevriend met de bevolking als in Westkapelle.
In 1939 werd haar man overgeplaatst naar Bergen(NH). Daar zou ze tot aan haar dood in 1948 blijven wonen en werken, met een korte onderbreking van drie jaar tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze in Friesland verbleef. In 1948 kreeg ze een ernstige ziekte. Na een verblijf van acht maanden in het ziekenhuis in Alkmaar, is ze daar, omringd door haar schilderijen, gestorven. Op 14 januari 1949 werd een herdenkingstentoonstelling van werken van Frieda geopend in het Vondelpaviljoen in Amsterdam.
In de zomer van 2015 wordt haar werk geëxposeerd in het museumcafé van Het Polderhuis in Westgkapelle.

Bewerkte tekst van Ans Dingemanse-Dieleman

Lit.: D.A. Klomp: In en om de Bergensche School, Tauber Architecten BV in Alkmaar, herdruk 1995; 1e druk 1943 bij A.J.G. Strengholt, Amsterdam

Gepl. 27 juni 2015