Jan Campert

Jan Remco Theodoor Campert (Spijkenisse 15-8-1902 - Neuengamme, Duitsland 12-1-1943), schrijver en dichter

Jan Campert was een zoon van de Westkappelse huisarts Petrus Remco Campert en Johanna Maria Anna van Hall. Hij trouwde op 8-2-1928 met Wilhelmina Broedelet, actrice. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren, de later bekende schrijver Remco Campert. Na echtscheiding (19-2-1932) gehuwd op 16-9-1936 met Clara Hendrika Catharina Clémentine Hélène Eggink, schrijfster. Dit huwelijk, waaruit geen kinderen werden geboren, werd ontbonden op 16-1-1939.

De vader van Jan Campert was per 1 mei 1905 benoemd tot gemeentearts in Westkapelle, waar het kleine gezin ook ging wonen. Jan bezocht van 1915 tot 1918 de gemeentelijke HBS met driejarige cursus in Vlissingen. In 1918 werd hij ingeschreven als leerling van de tweejarige handelsdagschool, die hij in het tweede jaar verliet voor een baan bij de Twentsche Bank, waar hij tot 1926 werkzaam was. Daarna beproefde hij zijn geluk in de journalistiek, aanvankelijk in plaatselijke en in streekbladen. In 1927 kwam hij in dienst bij De Nieuwsgier, Dagblad voor Westelijk 's-Gravenhage. Een belangrijk deel van Camperts werkzaamheden werd besteed aan kritische beschouwingen over toneel. Later verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij voor verschillende kranten schreef.Ook werkte hij als criticus mee aan verschillende tijdschriften als De Gids, Groot-Nederland, Nederland, De Tooneelspiegel. In 1922 debuteerde hij als dichter; zijn gedichten verschenen in literaire bladen als Helikon en Criterium.  Zijn eerste dichtbundel was  Refereinen, tot stand gekomen in samenwerking met Henne Schölte. Kan uit deze titel een zeker respect voor traditie blijken, de levenshouding die in zijn latere gedichten aan de dag trad, was die van een vrijheid en ongebondenheid minnende schrijver, een bohémien zoals de kritiek hem karakteriseerde. Aanleiding tot die karakteristiek gaf zijn onevenwichtig leven, zich onderscheidend door twee korte huwelijken, verscheidene amourettes gekruid door vechtpartijen met andere minnaars, fors drankgebruik en een chronisch geldgebrek.

De journalistiek bood hem in 1934 stof voor zijn eerste roman. Die in het donker... vertelt de geschiedenis van een jongeman van goede afkomst die steeds meer verstrikt raakt in gebeurtenissen die een terugkeer naar zijn 'normale' wereld onmogelijk maken.
Een jaar later verscheen zijn tweede roman Wier. Hierin staat een fictief dorp op Walcheren en het vooroorlogse Walcherse leven centraal. Het thema is opnieuw een verglijden uit een sfeer van welgestelden naar die van de ondergang door misdaad en ongebondenheid.

Wier is een roman, maar desondanks meenden veel Westkappelaars dat het hun dorp was, waar het verhaal zich afspeelde en dat hier een werkelijk bestaande boerenfamilie werd gekarakteriseerd. Bovendien werd het Walcherse dialect nogal knullig weergegeven. Wier en de schrijver kregen vanuit het dorp dan ook veel kritiek te verduren. Een soort reportage van deze affaire, met een boekbespreking verscheen in Elckerlyc, tijdschrift voor christelijke letterkunde van september 1937. Klik hier voor het Elckerlyc-artikel.
Zijn laatste novelle in 1941 heet Slordig beheer en is daarmee een kwalificatie van een door hemzelf als zodanig ervaren bestaan. Niet alleen van zelfkennis getuigt de titel, ook van een onvrede met het eigen leven die misschien een vluchten in de poëzie verklaart zonder dat deze tot een ondergang in de roes overgaat.

Maar Jan Campert was voor alles een dichter. Zijn liefde voor het Walcherse land uit zijn jeugd toont zich regelmatig in zijn werk, zoals in zijn ongedateerde gedicht Lof van Walcheren.

Daar is geen land dat zoo verliefd / door het water wordt omarmd
als tusschen Wester-Schelde en Sloe / van Walcheren het strand
Dat moet, toen god de wereld schiep / dien dag zóó zijn geweest
dat hij het opriep uit het niets / als weldaad voor den geest
een handvol grond, waarvan het oog / had zijnen lieven lust,
een groen juweel, een flonker-steen/ domein van stilte en rust.

Men reize waarheen men ook wil / den versten kaap voorbij
maar nimmer treft men zulk een land / als Walcheren in de Mei.
Wie ooren om te hooren heeft / hij luistere naar dit lied,
dat in de meidoornhagen leeft / en hij vergeet het niet.
Wie oogen heeft om nog te zien / zal als hij Walcheren ziet
die sluiten voor een wijl misschien / maar hij vergeet het niet.

En zelfs de voorjaarswind, die vaart / langs zee en dijk en duin
houdt den bewogen adem in / boven God's liefsten tuin
met zijn meidoornhagen in bloei / en wiegelend wegelkruid -
en keert weerom en vaart nog eens / verliefder dan een bruid.
Daar is geen als dit mijn land / besloten tusschen zee en strand.

- O palm van God's hand.

De oorlog en de bezetting werden Jan Campert noodlottig. Aanvankelijk leken hem daarvan de ernstige gevolgen en consequenties nog te ontgaan en scheen vooral geldgebrek hem er zelfs toe te drijven werk of een baan te zoeken waaraan politiek bedenkelijke kanten zaten - zo solliciteerde hij nog voor een functie bij het inmiddels gelijkgeschakelde Algemeen Nederlandsch Persbureau (ANP). Maar volkomen wereldvreemd was hij toch niet. Reeds in 1933 was dat gebleken toen hij in zijn Ballade der verbrande boeken het nationaalsocialisme in Duitsland aan de kaak had gesteld, en in Slordig beheer had hij de betrokkenheid van de dichter bij de samenleving onderstreept. Toen Campert op 5 maart 1941 de Duitse Bekanntmachung las omtrent de voltrokken doodvonnissen van vijftien verzetslieden van de illegale groep De Geuzen en drie stakers bij de Februaristaking schreef hij het gedicht De achttien dooden, dat hem metterdaad zou maken tot hetgeen hij innig had gewenst: 'Stem te zijn, en anders niet.' Sommigen denken ten onrechte dat Campert zelf bij de 18 ter dood veroordeelden hoorde. Zijn maatschappelijk-politieke betrokkenheid bleek ook uit de voordracht over 'Dichterschap en verantwoordelijkheid' die hij hield op 15 maart 1942 voor het Haagse genootschap "Oefening kweekt kennis" en die een dag later in het dagblad Het Vaderland werd gepubliceerd. In deze voordracht kwam een lovende verwijzing voor naar het oeuvre van Menno ter Braak en herinnerde Campert aan de dichter P.C. Boutens, die als een overtuigd individualist steeds ter zijde leek te staan, maar toch in 1926 ter gelegenheid van het voorgestelde Nederlands-Belgische verdrag een Nieuw Zeeuwsch Geuzenlied had gepubliceerd. Een dichter, zo luidde Camperts conclusie, was niet zo vervreemd van 'zijn volk' - de uitdrukking is van hem - als men doorgaans veronderstelde.
Ook met het actieve verzet kreeg hij in die tijd te maken. Op dinsdag 21 juli 1942 werd hij bij een poging joden over de Belgische grens te brengen gearresteerd. Dat chronisch geldgebrek een motief voor de verleende hulp zou geweest zijn, wordt door velen betwijfeld, door anderen ontkend. Het verzetslied getuigt van ernstiger drijfveren. Tot oktober werd hij gevangen gehouden in Breda. Gedurende die periode vertaalde hij een roman van Joseph Conrad en een aantal gedichten van Shakespeare. In die maand bracht men hem in het kamp te Haaren bij St. Michielsgestel. Vandaar uit sleepte de bezetter hem via Amersfoort naar het concentratiekamp Neuengamme, waar hij op 12 januari 1943, 's middags om half twee overleed.
De invloed van Jan Campert is minder toe te schrijven aan zijn gehele letterkundige productie dan aan twee gedichten daaruit: het veertiende sonnet 'Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht' in Sonnetten voor Cynara (1942) en De achttien dooden, dat voor het eerst verscheen in het ondergrondse Vrij Nederland van 21 februari 1943, waarna het weldra als rijmprent - met een tekening van Fedde Weidema - door een nieuwe, clandestiene uitgeverij, door Utrechtse studenten gesticht, werd uitgebracht en in ruime kring verspreid en verkocht. Het zou het begin betekenen van het met veel succes zich doorzettende illegale uitgeversbedrijf De Bezige Bij, dat na het succes met de rijmprent met talrijke bibliofiele en literaire uitgaven veel geld kon inzamelen voor verzetswerk. Na de bevrijding zou De achttien dooden misschien wel het bekendste verzetsgedicht blijven, dat steeds weer op scholen en bij herdenkingen werd voorgedragen of voorgelezen. Op 18 augustus 1947 werd bij een besluit van de gemeenteraad in Den Haag de Jan Campertstichting in het leven geroepen, die door middel van jaarlijks uit te reiken prijzen een 'blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren1940- 1945 ' wilde bewaren.

In 1947 verscheen bij uitgeverij Stols te 's Gravenhage de bundel "Verzamelde gedichten 1922-1943".

Hoewel Jan Campert lang na de oorlog werd beschouwd als een idealistische verzetstrijder raakte hij later toch omstreden. In 2005 verscheen in het NRC een artikel waarin hij van verraad in Neuengamme werd beschuldigd. Campert zou hiervoor zelfs door medegevangenen zijn vermoord. De vraag kwam naar voren of het beroemde gedicht over de achttien doden nog wel geloofwaardig kon zijn. Remco Campert betoogde dat het gedicht onschuldig was. Men vroeg zich ook af, of de Jan Campertstichting niet van naam zou moeten veranderen. Een onderzoek van de gemeente Den Haag toonde echter aan dat er geen enkel bewijs was voor verraad door Campert, noch dat hij vermoord zou zijn door medegevangenen. De stichting behield haar naam, Campert werd gerehabiliteerd.

In Westkapelle wordt hij nu beschouwd als een groot dorpsgenoot, reden waarom hier een straat naar hem werd genoemd.

Geact. 19 juni 2015