Bijzondere historische onderwerpen


Willebrordlegende

Westkapelle is het oudste bedevaartoord van Walcheren. Hier is volgens de overlevering Willibrord geland en begonnen met zijn verkondiging van het christendom op het Europese vasteland. In de voormalige Willibrordkerk vereerden pelgrims eeuwenlang bloedsporen van de heilige en relieken die door de abdij van Echternach waren geschonken. De cultus werd in de late middeleeuwen overvleugeld door de Mariavereringen in Oost-Souburg en Vrouwenpolder, maar bleef tot de hervorming in de jaren 1572-1574 in stand.
Westkapelle behoorde tot de vijf moederparochies van Walcheren (samen met Westmonster en Noordmonster te Middelburg, West-Souburg en Oostkapelle). Tot voor kort werd aangenomen dat de parochie een afsplitsing was van de parochie van een later door de zee verzwolgen handelsplaats die ten noorden van Domburg lag. Uit recent onderzoek is echter gebleken dat de parochie Westkapelle hoogstwaarschijnlijk is voortgekomen uit de oude Middelburgse St. Maartensparochie, die later in West- en Noordmonster uiteenviel. Tussen 1000 en 1050 stichtte deze parochie twee kapellen in Noord-Walcheren: een in Westkapelle en een in Oostkapelle. Beide gebedshuizen waren aan Willibrord opgedragen.
Westkapelle lag in die tijd gedeeltelijk buiten de huidige zeewering. Uit angst voor overstromingen werden nieuwe bouwwerkzaamheden voor deze plaats - die in 1233 stadsrechten kreeg - in de loop der tijd meer landinwaarts gedaan. Om te voorkomen dat ook de kerk door de zee zou worden verzwolgen, werd in de tweede helft van de 15e eeuw in het uiterste oosten van het stadje een nieuwe kerk gebouwd. Deze laatgotische Willibrorduskerk bestond uit een toren, een dwarsschip en een driedelig hallenschip met koor. Rond 1573 vernielden de Spanjaarden deze kerk. De herbouwde, maar kleinere, protestantse kerk brandde in 1831 af. Van de oude kerk is alleen de, inmiddels vele malen gerestaureerde, toren gelegen aan de Zuidstraat nog over. De vuurtoren functioneert vanouds als baken voor de scheepvaart. In 1816 werd ze met een kustlicht uitgerust.
Cultusobject
De abdij van Echternach schonk vermoedelijk de relieken van Willibrord (stukjes bot), die in de 11e eeuw in de kerk naast de bebloede altaarsteen werden vereerd.
Het is overigens verre van zeker of Willibrord ooit op Walcheren, laat staan in Westkapelle, is geweest. Niettemin wordt Walcheren nadrukkelijk genoemd in de Vita Sancti Willibrordi van de hand van Alcuin (ca. 786). In hoofdstuk veertien staat:

'Toen dus de eerbiedwaardige man eens zoals gewoonlijk op een missiereis was, kwam hij bij een zekere plaats die Walichrum heette, waar nog een heiligdom van het oude bijgeloof stond. Toen de man Gods dit in zijn vurige ijver verbrijzelde voor de ogen van de bewaker van dit heiligdom, sloeg deze, in zeer grote woede ontstoken, alsof hij het onrecht zijn god aangedaan wilde wreken, in een opwelling van zijn waanzinnige geest met zijn zwaard op het hoofd van de priester van Christus. Maar omdat God zijn dienaar beschermde, liep hij geen enkel letsel op van die slag. Toen zijn metgezellen dit echter zagen, kwamen zij aanrennen om dit brute geweld van deze goddeloze man met de dood te straffen. Maar door de vroomgezinde man Gods werd de schuldige uit hun handen bevrijd en hij liet hem gaan; op diezelfde dag nog kwam hij echter in de macht van een duivelse geest en op de derde dag eindigde hij op ongelukkige wijze zijn leven. En omdat de man Gods naar het gebod van de Heer het onrecht hem aangedaan niet zelf wilde wreken, werd dit des te sneller door God gewroken, zoals hij gezegd heeft over het onrecht, dat de goddelozen zijn heiligen niet vrezen aan te doen: 'Mij komt de wraak toe, ik zal het vergelden, spreekt de Heer'.

Volgens Thiofried, de abt van de St. Willibrordabdij van Echternach, die omstreeks 1104 een nieuwe levensbeschrijving maakte, raakte Willibrord bij deze gebeurtenis wel gewond. Een met bloed besmeurd deel van het stuk geslagen heiligdom is, volgens de abt, daarna in de kerk van Westkapelle terechtgekomen, waar het in de voet van het altaar werd verwerkt. Dit is de oudste vermelding van de aanwezigheid van een Willibrordreliek in Westkapelle.
Volgens Melis Stoke was het object dat Willibrord vernielde, gewijd aan Mercurius. In zijn Rijmkroniek van Holland (eind 13e, begin 14e eeuw) beschreef hij Willibrords komst als volgt:

'Tot Westcappel dat hi quam, Daer hi aenbeden vernam, Mercuriuse over enen god. Dat beelde doer ons heren gebod, Brac hi, ende hevet tfolc ghescouden; Maer dat hevet hi swaer ontgouden, Want een, de Mercuriuse wachte, Sloeghen in sijn hoeft onsachte, Dat hi storte daer sijn bloet. Nochtan predicte hi metter spoet'.

De bloedsporen groeiden uit tot een object van devotie en bespoedigden de groei van Westkapelle als centrum van Willibrordverering op het eiland. Thiofried's versie was overigens niet vrij van eigenbelang. De abdij waarvan hij hoofd was, was door Willibrord zelf gesticht, vormde een bedevaartplaats rondom diens gebeente en bezat een groot aantal goederen op het eiland.
Thiofried vertelt ook dat in de 11e eeuw eilandbewoners zich in de kerk verzamelden alvorens de strijd tegen graaf Robrecht de Fries aan te binden. Ze baden om steun tot Willibrord en beloofden in geval van een overwinning jaarlijks een schatting ter ere van de heilige te betalen. Bij hun vertrek naar het strijdperk hingen ze een doosje met relieken van de schutspatroon aan het vaandel. Een bijna identieke voorbereiding zou ook plaats hebben gehad in 1253, toen Floris V ten strijde trok tegen het Vlaamse leger van Guy van Dampierre dat Zeeland was binnengevallen. Willibrord liet zijn aanhangers niet in de steek. De beslissende slag werd op 4 juli in de buurt van Westkapelle zelf geleverd. Nog lang daarna droegen gelovigen elk jaar op die dag een kistje met gebeente van Willibrord in een ommegang over het hele eiland rond.
De pastoors van de Willibrordkerk waren sinds de tweede helft van de 11e eeuw afkomstig uit de abdij van Middelburg. Een deel van de offeranden 'van het groot altaar' van de kerk (waarop de bloedsporen zaten) kwamen toe aan de abdij. In de week van Hemelvaart, de kruisweek, stuurde de Westmonsterparochie jaarlijks een kruis naar de dochterparochie in Westkapelle. Tussen 1498 en 1503 bestond er een geschil tussen de moeder- en dochterkerk over de 'perceptie' of afdracht van offeranden op het hoofdaltaar in Westkapelle. In 1566 kreeg een boer van het kerkbestuur van de parochie Westmonster voor zeven jaar de pacht van een stuk grond onder de nevenconditie dat hij jaarlijks met paard en wagen het kruis naar de dochterkerk vervoerde.
Historici vermoeden dat Westkapelle een pelgrimsoord van betekenis is geweest, zij het dat in de late middeleeuwen de Willibrorddevotie op Walcheren vermoedelijk in de schaduw kwam te staan van de Mariaverering.
In de 17e eeuw was er nog een zoetwaterbron, genoemd naar St. Willibrord, in het duingebied aanwezig. 

De herinnering aan Willibrord in Westkapelle is thans marginaal te noemen. Wel bestaat er sinds 1957 de Willebrordstraat en komt de van Willibrord afgeleide voornaam Willeboord nog veel in het dorp voor. Merkwaardig genoeg associeert de Walcherse bevolking Willibrord vooral met het naburige Zoutelande. Veel Walchenaren denken dat hij daar aan land is gekomen. De plaatselijke St. Catharinakerk, een dochter van de kerk van Westkapelle, heet in de volksmond de Willibrordkerk. Ze ligt aan het Willibrordusplein, waar ook, aan de voet van de duinen, een Willibrordput ligt. Het verhaal dat de put na aankomst door de heilige is gesticht, is een latere toevoeging aan de Willibrordlegende, hoogstwaarschijnlijk uit de 18e of de eerste helft van de 19e eeuw. Het verzinsel is een eigen leven gaan leiden, wat curieus mag heten in een protestants dorp als Zoutelande. In 1945 was de put bijna geheel onder het duinzand bedolven. In 1958 is de put, althans de bouwelementen, wegens versterking van de kust in het kader van het Deltaplan een honderd meter verplaatst en in mei 1981 herbouwd. De volgende tekst is er nu op aangebracht: 'deze put is volgens overlevering gesticht door Willibrordus in 690'. Ansichtkaarten van de put zijn in het dorp te koop.
Over Vlissingen wordt nog verhaald dat Willibrord er een fles zou hebben achtergelaten waaraan de gehele bevolking zich zou hebben kunnen laven. Een kruik in het stadswapen is een reminiscentie aan deze legendarische wijnvermenigvuldiging. De stad bezat ook een aan Willibrord toegewijde kerk.

Willibrordusput in Zoutelande, een verzinsel uit de 19e eeuw

Gew. 20-9-2017


Fonds tot heil van jongelingen/Fonds voor handel en nijverheid Westkapelle

In 1825 namen enkele jonge jongens uit Westkapelle een uniek initiatief. Zij zagen de armoede in hun dorp en wilden daar niet in berusten. Zij richtten het Fonds tot Heil van Jongelingen op, het latere Fonds voor handel en nijverheid. Een belangrijke investering deed het fonds met de bouw en exploitatie van de korenmolen De Noorman in 1852.

Voor meer informatie over de oprichting en activiteiten van dit fonds klik hier.

 


Memoires oud-gemeentebode Kees Pouwelse

Kees Pouwelse was gemeentebode van Westkapelle van 1954 tot 1991. In die tijd heeft hij het wel en wee van de gemeente en de bestuurders van dichtbij meegemaakt. Onder de titel "Horen, zien en zwijgen" heeft hij opgeschreven hoe hij zijn werk bij de gemeente heeft ervaren en wat hij daarbij allemaal heeft meegemaakt.  Deze memoires geven tegelijkertijd een indringend beeld van de gemeente, de opeenvolgende burgemeesters en andere bestuurders. De memoires zijn rijk geïllustreerd met foto's en zijn integraal te lezen op deze website. Klik hier.


Emigratie vanuit Westkapelle

Gedreven door de uitzichtloze armoede en gelokt door de kansen die de Nieuwe Wereld bood, emigreerden tussen 1840 en 1914 meer dan 500 inwoners van Westkapelle naar de USA. In 1840 was Pieter van den Dries de eerste Westkappelaar die in de USA arriveerde, kort daarna gevolgd door diverse van zijn familieleden en vele anderen. De meeste Westkappelse emigranten kwamen, soms met de nodige omwegen, terecht in de (latere) staat Wisconsin in de omgeving van de stad Sheboygan. Daar ontstonden min of meer Westkappelse gemeenschappen. Tot op de dag van vandaag komen in de county Sheboygan veel Westkappelse namen voor. Pieter Daane (1835-1914), met zijn ouders geëmigreerd in 1842, was omstreeks 1867 een van de stichters van de nederzetting Oostburg in de county Sheboygan.

In de periode van de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) kwam de emigratie tot stilstand. vanaf omstreeks 1886 was er echter weer een hausse. Vanaf omstreeks 1912 daalde de belangstelling voor emigratie, deels door strengere immigratiewetgeving in de USA, ook omdat de economische omstandigheden in Europa en ook in Westkapelle wat waren verbeterd.

De SCW heeft een inventarisatie gemaakt van alle inwoners van Westkapelle die tussen 1840 en 1914 naar de nieuwe wereld trokken. Geheel compleet is die lijst waarschijnlijk niet, ook al doordat een aantal emigranten al enige tijd vòòr hun definitieve  vertrek verhuisden naar Middelburg en Vlissingen en dus niet meer als inwoners van Westkapelle was geregistreerd.

Klik hier voor de alfabetische lijst van emigranten.

Upload 7-2-2017