Opkomst en bloei in de Middeleeuwen

In de donkere diepten van de Noordzee voor de huidige zeedijk moeten de geheimen verborgen liggen van een rijke handelsstad, waar koopvaarders en vissers af en aan voeren. Van een tempel gewijd aan de god Hercules Magusanus, waarin de zeelieden hun wij-geschenken brengen voor het altaar van de Jupiter en Neptunes. Dit is waarvan de geschiedschrijvers gewagen. En zij vertellen ook dat de christenzendeling Willebrord anno 694 aan de Westcappe geland is en het gewaagd heeft het beeld van Mercurius omver te werpen, wat hem bijna het leven kostte. (Zie ook: Willlebordlegende). Veel later, in 1514, werden op het strand allerlei voorwerpen gevonden, een steen met het opschrift Herculi Magusano M. Priminus VSL, munten te Dordrecht en te Utrecht geslagen en in Frankrijk of Brittannië gemunt, voorzien van het teken van het kruis. Zij verhalen van Christendom, van handel, bloei en welvaart. Waarschijnlijk de eerste bloeiperiode van Westcappel.

De Noormannen
Maar zie, daar komen over zee de zeekoningen, die geweldige mannen uit het noorden en hun drakenschepen houden aan op de kusten van de Walacra. Deze zonen van de Gryma Herna zijn uit op roof en zij vinden achter de Westcappe een beschutte landings- en ligplaats voor hun schepen. Met de bloei van de Westcappe is het voorlopig gedaan.



Bij hun vertrek lieten de Vikingen een verwoeste en uitgeplunderde landstreek achter. Hoe de kust er omstreeks die tijd uitzag, daarover is weinig bekend. Er moet een duinenrij geweest zijn met een smal strand. In de monding van de Honte lag mogelijk het eiland Schooneveld, dat een goede beschutting bood aan de Walcherse kust en het landen met schepen hier mogelijk maakte. Door deze gunstige ligging ontstond er na de rooftochten van de Noormannen weer een zeker welvaart aan de Westcappe. De achtergebleven Westcappelaars legden zich toe op de visserij en er werd weer handel gedreven. Het uitgeplunderde land herstelde zich en Westcappel ging zijn tweede bloeiperiode tegemoet. En toen kwam er natuurlijk ook een kerk. Aan deze westelijke kapel -dus niet aan de westkaap-  dankt Westkapelle zijn naam. Aanvankelijk dacht men dat de moederkerk van de west-kapel in Oud-Domburg stond maar de Amsterdamse hoogleraar nederzettingsgeschiedenis P.A. Henderikx heeft eind 20e eeuw na bestudering van kerkelijke documenten aannemelijk gemaakt dat de west-kapel en ook de oost-kapel omstreeks 1070 zijn gesticht als dependance van de Middelburgse Sint Maartenskerk. Zowel West- als Oostkapelle werden gewijd aan Sint Willibord en later op hun beurt moederkerken voor de naaste omgeving. De kerk van Westkapelle was nog tot in de 16e eeuw een bedevaartsplaats.

De stad Westcappel
Als we onze blik opnieuw naar de zee richten, rijzen opnieuw beelden op van een haven met in- en uitvarende haringbuizen, beladen met glimmend zeebanket en schepen met waren uit vreemde streken. Dat er in Westkapelle een echte haven was, is niet zo waarschijnlijk maar niettemin verhalen verschillende kroniekschrijvers over een handelsplaats van grote betekenis. De rechtsbronnen uit die dagen spreken ook  van “zeerechten dien men ghewoon is te Westcappel te gebruycken”. Het ooit door de Noormannen uitgeplunderde land, dat als van geen enkel belang voor de vorsten onder de graven van Vlaanderen en Holland was verdeeld, kreeg weer betekenis en Westcappel nam hier als centrum van handel en visserij en ook op kerkelijk gebied een belangrijke positie in. En zoals alle plaatsen van enig belang in de Middeleeuwen kreeg ook Westcappel zijn privileges. In 1223 nemen Graaf Floris IV van Holland en Dirk van Voorne, burggraaf van Zeeland, de bewoners van Westcappel in bescherming en regelen de wijze waarop recht zal worden gedaan in originele en civiele zaken. Voorts kreeg Westcappel in dit jaar de titel van Poorte, d.w.z. Stadsrechten en een goede toekomst leek verzekerd. Maar bij Middeleeuwse graven hoort wapengekletter en de tussen de graven van Holland en Vlaanderen was er voortdurend gesteggel over het gebied dat als  "Bewesten de Schelde" aangeduid werd en waar ook het eiland Walcheren toe behoorde. In 1253 kwam het tot gevechten tussen legers van Margaretha van Vlaanderen en Willem II van Holland en Zeeland. Margaretha rustte een grote vloot uit, die bij Westkapelle zou landen, om Walcheren definitief in Vlaamse handen te krijgen. De Westkappelaars voelden zich kennelijk meer op hun gemak onder de Hollandse graven en boden zich aan bij Floris, de broer van Willem II, om te helpen de aanval af te slaan. Het Hollandse leger mèt de Westkapellaars had zich verscholen in de duinen toen op 1 juli 1253 de Vlaamse vloot in zicht kwam. De Vlamingen ontscheepten zich nietsvermoedend en op dat moment stormden de Westkapellaars, onder de wapenkreet “Sint Willibord” met een enorme verwoedheid op de vijand in. Deze raakte daardoor zo in verwarring en ontreddering dat het een koud kunstje was voor het leger van de graaf om de Vlamingen volledig te verslaan.

I
Impressie van de Slag bij Westkapelle in 1253


Op de totale Hollandse en Vlaamse geschiedenis is dit feit misschien van ondergeschikt belang, maar deze overwinning was wel aanleiding tot een jaarlijkse plechtige ommegang door Walcheren, een processie, op 4 juli, waarin een kistje met gebeente van Willebord en een splinter van het kruis van Christus zou zijn meegedragen. Uit deze processie is later de roemruchte Westkappelse kermis voortgekomen. Zie meer hierover in de rubriek kermis .
Vanzelfsprekend kwam Westcappel door de spontane vechtpartij met de Vlamingen nog meer in de gunst te staan van de landheren en in 1327 bevestigde graaf Willem III van Henegouwen de rechten die Floris IV aan de poorters had verleend. Maar hij verbood tegelijkertijd het dragen van “zwairde, knive, cordelyscolven, Lombairdsche messe en alle ander scarporde messe”. Misschien waren de Westkappelaars na de slag tegen Margaretha het vechten nog niet verleerd.