Westkapelle in de 19e eeuw; 1814-1914

Na de Franse tijd kwamen de oude instellingen en verhoudingen niet terug. Nederland werd in plaats van een republiek een koninkrijk, vanaf 1815 zelfs gecombineerd met de voormalige zuidelijke Nederlanden, het huidige België.
Probleemloos was het in het nieuwe koninkrijk niet; de grootste zorg was de schrijnende armoede. Het ten tijde van de Republiek nog vooraanstaande Zeeland werd een regio in de periferie, door de waterpartijen moeilijk bereikbaar en daardoor geïsoleerd van de rest van het land. Binnen Zeeland stonden alle eilanden ook min of meer op zichzelf. De armoede was ook in Zeeland zeer groot, al waren veel boeren door de goede opbrengsten en betrekkelijk hoge prijzen in goeden doen.
Was het eiland Walcheren door de geïsoleerde ligging dus al een soort staat in een staat, Westkapelle vormde nog weer een staatje apart.

Tot in de 18e eeuw had Westkapelle gegolden als stad, weliswaar een smalstad zonder afvaardiging in de Provinciale Staten, maar met een eigen bestuur en rechtspraak. Een Soeverein Besluit van koning Willem I van 1814 maakte aan die stedelijke status definitief een einde. Vanaf dat moment waren er in Noord-Nederland in totaal nog maar 85 steden, waarvan drie op Walcheren: Middelburg, Vlissingen, Veere. Westkapelle werd net als de andere voormalige Walcherse smalsteden Domburg en Arnemuiden, een plattelandsgemeente met slechts een bescheiden autonomie voor de eigen huishouding. “De voormalige stad is een weinig beteekenend dorp geworden, dat op zich zelf ons niets te zien geeft dan een heerlijk zeegezigt”, vond Jacobus Craandijk in zijn “Wandelingen door Nederland”.
De laatdunkendheid over de ooit zo aanzienlijke stad Westkapelle was niet helemaal ten onrechte. Het oorspronkelijke stadscentrum met kerk en waag was al in de 16e eeuw grotendeels buitendijks komen te liggen en door de zee verzwolgen. In de tijd daarna was van de drie oost-west lopende straten, die zich bij de Oude Markt verenigden, de zuidelijkste grotendeels verdwenen.
Wel was Westkapelle in de 18e en het begin van de 19e eeuw aanzienlijk uitgebreid in noordelijke richting. De ambachtsheerlijkheid Woytkensdorp of Coudorp was geannexeerd en er waren huizen gebouwd aan de Koestraat, de Molenweg en de Noordweg (het latere ’t Hout). Op de dijk, dicht bij waar na 1860 de woonbuurt d’ Arke zou ontstaan, had de ambachtsheer in 1773 de dijkmolen laten bouwen. De ambachtsheer behield nog lange tijd het windrecht maar de molen zelf was eind 18e eeuw in particuliere handen gekomen en kreeg de naam De Vijf Gebroeders, in later tijd Prins Hendrik.
De straten waren onverhard en “de” Noord- en de Zuidkerkepad waren grotendeels onbebouwd. De toren en de Willebrorduskerk stonden daardoor nog steeds geïsoleerd van de rest van het dorp en waren in vervallen staat. Tot overmaat van ramp brandde in 1831 de kerk helemaal af.
Langs de straten stonden armoedige dijkwerkerswoningen, zo laag dat de dakgoten haast zonder ladder met de hand aanraakbaar waren. Slechts enkele gebouwen hadden enige allure, bijvoorbeeld het stadhuis en het polderhuis, ook wel ’s Lands ‘uus genoemd.

  Westkappels straatbeeld in de 19e eeuw

Economische en sociale problemen in Westkapelle
De inwoners van Westkapelle verschilden vooral in de eerste helft van de 19e eeuw in kleding, dagelijks werk, taal, cultuur en mentaliteit nogal van de anderen op Walcheren. De Westkappelaars zelf voelden zich prima in hun isolement en wilden niet anders. Alles wat oostelijk van de toren vandaan kwam, deugde niet, zo was de gangbare opvatting.
Westkapelle was - ook in die periode – zeker geen typisch agrarische dorpgemeenschap. Wellicht daardoor waren de leefomstandigheden er nog slechter dan in de rest van Zeeland.
In de samenleving van Westkapelle waren twee hoofdgroeperingen te onderscheiden, die men in zekere zin klassen of standen zou kunnen noemen.
De eerste en grootste groep werd gevormd door de arbeiders, waarvan, zoals de opbouw van de beroepsbevolking laat zien, de meesten hun brood verdienden op en aan de dijk. (binnen die dijkwerkersgroep bestonden overigens ook weer verschillende gradaties).
Van het totaal aantal inwoners van Westkapelle in 1815 (1.116) was bijna 30% werkzaam aan de dijk. Westkapelle telde toen 259 mannen tussen de 17 en 50 jaar en van deze bevolkingsgroep waren er 199 dijkwerker.
De dijk en het dijkwerk waren voor een groot deel bepalend voor de samenleving, de cultuur en de folklore van Westkapelle. Voor meer over de dijk en het dijkwerk zie de rubriek Zeedijk.

De andere hoofdgroep binnen de Westkappelse bevolking bestond uit zelfstandige boeren die grond en vee in eigendom hadden. Afgezien van enkele grote hofsteden in het buitengebied waren de Westkappelse landbouwbedrijven kleine dorpsboerderijen met betrekkelijk weinig grond, een kleine veestapel en slechts bij uitzondering personeel in dienst.
Boven deze twee "standen" stond een kleine groep van notabelen, bestaande uit de burgemeester, de dokter, de dominee, de hoofdonderwijzer en enkele van buiten het dorp afkomstige personen met een ambtelijke of zelfstandige functie.
Tussen de twee hoofdgroeperingen stonden de kleine zelfstandigen en ambachtslieden.

Door het verschil in beroepsstructuur waren ook de oorzaken van de plaatselijke armoede anders dan elders in de provincie. Als er in de herfst - en winterperiode geen stormschade aan de dijk optrad, waren er in het voorjaar weinig reparatiewerkzaamheden te verrichten en was er dientengevolge weinig werk en werd er armoede geleden.
Door de toenemende bevolking en het gebrek aan werk was, zo constateerden in 1839 zowel het provinciaal bestuur als de Minister van Binnenlandse Zaken, de armoede in de gemeente Westkapelle “tot eene hoogte gestegen, zoo als in geene andere gemeente van Zeeland plaats heeft, zoodanig dat de staat van zaken aldaar in die gemeente, zoo als die thans is, werkelijk zorg baart”.
In 1840 was de bevolking gegroeid tot 1.892 zielen. In periode daarvoor namen echter de werkzaamheden aan de dijk juist af. De traditionele glooiing, bestaande uit paalhoofden, rijswerken en krammatten werd vervangen door een minder onderhoudsintensieve stenen glooiing. Volgens de Centrale Directie van de Polder Walcheren was de bevolking sinds “vroegeren tijd” bijna verdubbeld, terwijl het werk aan de dijk niet meer dan driekwart van vroeger bedroeg, “waardoor armoede en gebrek ten toppunt worden gedreven.”
Particuliere liefdadigheid kon nauwelijks uitkomst bieden, omdat het dorp heel weinig welgestelden telde. De diaconie van de Hervormde Gemeente steunde wel enkele individuele gevallen, maar een groot budget had de kerk niet ter beschikking.

De spanningen door armoede en geringe werkgelegenheid leidden in 1846 tot ongeregeldheden. De overheid achtte het nodig die met een viertal marechaussees en een detachement dragonders hardhandig de kop in te drukken.
Dit alles deed het imago van Westkapelle geen goed. De eerder genoemde Centrale Directie typeerde de bevolking van Westkapelle als “ [...] eene kaste van menschen, in hun denkwijze en handelingen geheel afgescheiden van de overige bevolking des eilands. Zij leven en trouwen onder elkanderen, en vermengen zich zelden met anderen, en hebben het oude eigendommelijke behouden van hun voorgeslacht, zij zijn in eene zeer hooge mate aan hun geboortegrond verknocht, zij willen hun geslacht onvervreemd houden, hun bestaan in het bedrijf vinden waarin zij zijn opgevoed, dit aan hunne kinderen nalaten en liever zich de grootste ontberingen getroosten, dan elders hun brood te zoeken.”

Niet alleen bij de overheid en de elite, ook bij de bevolking van Walcheren leefde breed de gedachte, dat het met “die van Westkappel” kwaad kersen eten was.
Misschien werden de Westkappelaars ook wel benijd en gevreesd om hun, zoals de schrijver van Zeeuwse volksverhalen Jan Vader dat omschrijft, “diep in hun hart gewortelde vrijheidszucht. [...] Zij is werkelijk een integrerend deel van hun bestaan.”
In weerwil van deze beeldvorming waren de Westkappelaars zeker niet ongenegen om ander werk dan aan de dijk aan te vatten. ’s Zomers trokken velen het land in om bij boeren werk te zoeken, waar zij vooral waren aangewezen op het zwaarste werk zoals graan snijden en het delven van sloten.
En er was nog iets. De vrijheidsdrang, waar Vader over spreekt, bracht een breed streven met zich mee om zoveel mogelijk zelfstandig in de eigen behoeften te kunnen voorzien. De Westkappelaars ondernamen van alles om aan voedsel, brandstof en andere materiële zaken te geraken. Velen hielden een varken en een geit, door te stropen kwam er soms wildgebraad op tafel en de zee bood vis, mosselen, krabben en brandhout.
Maar belangrijker nog was dat dijkwerkers en ook andere werkmensen alles op alles zetten om een eigen perceeltje bouwland te verwerven. Dit patroon van verwerving en bewerking van kleine agrarische percelen is bekend uit de eerste helft van de 20e eeuw en het zette zich door tot na de Tweede Wereldoorlog. Eén van de gevolgen van de grondverwervingsdrift van de Westkappelaars is, dat er in de directe omgeving van Westkapelle weinig hofsteden zijn overgebleven; kennelijk was het lucratiever de landerijen in versnipperde vorm te verkopen.

Het was dus zeker niet zo dat de Westkappelaars lijdzaam bij hun armoedige pakken gingen neerzitten en bleven wachten tot de dijk weer werk bood. En als de vele en uiteenlopende activiteiten om dicht bij huis aan de kost te komen te weinig soelaas boden, bleek het ook met die mythische “verknochtheid aan hun geboortegrond” wel mee te vallen.
In de jaren 1842-1847 vond vanuit Westkapelle een ware uittocht plaats naar Noord-Amerika, vooral naar Sheboygan en Oostburg en omgeving in Wisconsin. Families vertrokken in groepen tegelijk, totaal zeventig emigranten. In de jaren na 1847 zijn nog honderden inwoners van Westkapelle voorgoed naar Wisconsin vertrokken. Zie ook: Emigratie vanuit Westkapelle
Ook verhuisden in 1844 op instigatie van het bestuur van de Polder Walcheren vier dijkwerkersgezinnen, totaal 24 personen, naar Drenthe om daar een beter bestaan te vinden in de veenkoloniën, al bleek dit achteraf niet zo’n succesvolle onderneming.
Anderen deden het wat minder rigoureus, maar gingen wel voor weken achtereen van huis om buiten Walcheren hun werk te doen; een groep van meer dan vijftig Westkappelse dijkwerkers was bijvoorbeeld in 1852, geheel op eigen initiatief, werkzaam aan de dijken van de Bathpolder op Zuid-Beveland.

Als sluitstuk van het zoeken naar broodwinning was er binnen het dorp zelf een gevorderde structuur van armoedezorg met bijvoorbeeld het zogenaamde soephuis en daarnaast particuliere initiatieven, zoals de oprichting in 1825 en de activiteiten van het Fonds tot Heil van Jongelingen, later Fonds van Handel en Nijverheid geheten. Dit fonds, een soort coöperatie avant la lettre, trachtte de armoede te lijf te gaan door uiteenlopende ondernemingen als het houden van vee, bouw en exploitatie van een molen en gezamenlijke inkoop van brandstoffen. Klik hier hier voor meer informatie over het Fonds tot heil van Jongelingen. 

Een katoenweverij in Westkapelle
Binnen dit scala aan activiteiten om ook buiten het dijkwerk een inkomen te verwerven, verleende de gemeente vanaf het jaar 1839 de nodige medewerking aan de vestiging van een calicotweverij in Westkapelle.
Een vooraanstaand bedrijf in de Nederlandse textielnijverheid was de firma G. & H. Salomonson uit Almelo. Na 1833 richtte dit bedrijf zich voornamelijk op de productie van calicots. Vóór 1831 werd calicot (ook wel katoentje genoemd), bestemd voor export naar Indië, voornamelijk vervaardigd in de Zuidelijke Nederlanden. Na de afscheiding is deze industrie verplaatst naar Nederland. De reden hiervoor was het in stand houden van de export van katoenen stoffen door Nederland, en deze niet kwijt te raken aan de Engelsen, maar ook een mogelijkheid om armoede te bestrijden. De firma Salomonson heeft halverwege de 19e eeuw samen met gemeente- of armenbesturen maar liefst negen calicotweverijen in Zeeland opgericht, waarvan één in Westkapelle.
De weverij werd gebouwd onderaan de dijk, aan de latere Dijkstraat. Het gebouw, waarvan de laatste overblijfselen pas in 1985 werden gesloopt, stond in Westkapelle bekend als “’t weef ‘uus.
De weefwerkzaamheden in Westkapelle startten in 1841. Samen met de andere Zeeuwse weverijen vormde die in Westkapelle toch een vrij aanzienlijke textielsector, die producten leverde met een internationale faam.
Maar een belangrijke doelstelling, het verschaffen van werkgelegenheid en het verbeteren van de economische en sociale omstandigheden, werd maar voor een zeer klein deel bereikt. De werknemers in Westkapelle waren voornamelijk vrouwen en jonge meisjes. De dijkwerkers schoolden zich niet om tot het weversvak. De arbeidsomstandigheden in de weverij waren miserabel en de armoede bleef. Vooral door internationale economische omstandigheden werd de weverij in 1870 gesloten.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                
Over de opkomst en ondergang van de Westkappelse calicotweverij en de omstandigheden waaronder die plaatsvonden is in 2012 op initiatief van de Stichting Cultuurbehoud Westkapelle een boek uitgegeven, geschreven door Jan Kaland, Willem van den Broeke, Ko Gabriëls en Adrie Lous, getiteld “De wevers dat zijn er geen heren – De calicotfabriek en de wevers van Westkapelle (1839-1870)".

De kerk in de 19e eeuw.
In de eerste helft van de 19e eeuw was de ooit zo imposante Williborduskerk met toren aan de oostkant van de stad in zeer slechte staat, maar nog wel in gebruik voor de eredienst. Een traumatisch gebeurtenis was de verwoesting van de kerk door een grote brand in 1831. Klik hier voor meer informatie over toren en kerk.
Mede door inspanningen van de ambachtsheer van Westkapelle, Hendrik Jacob van Doorn, werd in de Zuidstraat een nieuwe kerk gebouwd. Op 4 april 1834 legde de zoon van de ambachtsheer, Willem Frederik van Doorn de eerste steen en al op 9 november 1834 kon de kerk worden ingewijd. Het nieuwe kerkgebouw was een ontwerp van de Middelburgse stadsarchitect Cornelis Bosdijk. De bouw stond onder toezicht en controle van het Ministerie van Waterstaat, reden waarom een dergelijk gebouw een “Waterstaatskerk” werd genoemd.
Het gebouw had voor een dorpskerk een forse omvang: buitenwerks 16 meter breed (aan de straatzijde) en 30 meter lang. De hoogte van de buitenmuur was 7,60 meter. De kerk had een gebroken kap met een nokhoogte van 14 meter. De fundering was onderheid, wat in Westkapelle een bijzonderheid was.
In 1843 schonk ambachtsheer Van Doorn een orgel aan de kerk.
De kerk werd verwoest door oorlogshandelingen in het najaar van 1944.

  Bouwtekening van de Ned. hervormde kerk aan de Zuidstraat

Het “oude” Westkapelle.
Het 19e_eeuwse Westkapelle werd gekenmerkt door armoede en isolement en de allesoverheersende en samenbindende zeedijk.
Een ander opvallend fenomeen is de demografie. In 1795 telde het dorp 1072 inwoners. Ondanks het grote aantal mensen dat in de loop van de eeuw vertrok naar de Verenigde Staten en elders was het inwoneraantal aan het eind van de eeuw verdubbeld tot ca. 2100.
In de loop van de 19e eeuw kwamen kwamen, naast de kerk, enkele bijzondere gebouwen tot stand, t.w. de molens De Noorman en De Roos en het IJzeren torentje. Het gemeentehuis en het Polderhuis werden gerestaureerd. De woonbuurt D'  Arke ontstond en het dorp werd aan de noordkant uitgebreid. 

Westkapelle werd opgeschrikt uit zijn isolement door het uitbreken van de 1e Wereldoorlog en de daarmee samenhangende mobilisatie in 1914. Het oude Westkapelle verdween definitief door de bombardementen en beschietingen oktober en november 1944.

Zie voor meer informatie over het karakter en de cultuur van Westkapelle in vroeger tijd in Westkapelle vòòr 1944 en "Het oude dorp en zijn burgemeester" 

 

Geactualiseerd en gewijzigd: 31 augustus 2017, 15 oktober 2018, 13 november 2018
Later meer