Klaaglied om 't Koffiehuis

De geschiedenis van een Westkappels dorpscafé tegen de achtergrond van de deplorabele toestand van het pand in 2014

           Café 't Koffiehuis, Markt 93, Westkapelle in september 2014; foto Jan de Jonge       

Het Koffiehuis ademt zwaar en moedeloos. Daar staat het nu, in de schaduw van het gemeentehuis, verscholen, verveloos en verlaten, geen waard en geen gasten. Een Palmbier- reclame veinst gastvrijheid. Maar maanden geleden sloot het horecabedrijf in het dorpshart zijn deuren. Onvoorstelbaar eigenlijk. Ooit telde Westkapelle zo’n tien goedbeklante cafés, die uitnodigden tot de veelbeschreven kermisdweilpraktijk van de Westkappelaars. Nu het Koffiehuis dicht is, is er nog maar één.… Een café met een eeuwenoude traditie van gezelligheid, het brandpunt van het uitgaansleven, is verworden tot de rotte plek van de Markt. Is er nog hoop op redding?

Geschiedenis
Het Koffiehuis bestaat als café in het dorpscentrum al dik twee eeuwen.
In het jaar 1801, in de Franse tijd, kocht ene Bart Dikstaal, een herbergier die daarvoor al het Kasteel van Batavia had gedreven, het voormalige koetshuis van de buitenplaats van de ambachtsheer en begon daarin een koffiehuis. Het gebouw stond op de hoek van de Zuidstraat en de Papestraat, recht tegenover het stadhuis. Een ideale plek voor een dorpsherberg. Of Bart alleen koffie schonk, vermeldt de historie niet. Maar al rap was de herberg niet meer weg te denken uit het stadscentrum.
In 1807 zag Bart Dikstaal het niet meer zitten en verkocht hij zijn zaak aan Jakob Maartense Brasser. Die kreeg van het stadsbestuur toestemming “om neering te doen als winkelier en te tappen voor den toog, benevens een coffykamer te frequenteren zoals de vorige eigenaar een aantal jaren herwaarts was begonnen”. Dat deed hij 30 jaar. De opvolgers waren Lourus Gabriëlse en daarna Jakob Lous, die het 23 jaar volhield.
In 1870 kwam het Koffiehuis in handen van Jakobus Minderhoud, bijgenaamd Platje, een welgestelde Westkappelse zakenman, die veel in onroerend goed investeerde. Huurder werd Andries Gabriëlse maar die moest in 1878 het veld ruimen voor Platjes dochter Maatje en haar man Pieter Minderhoud, in de volksmond Piet Lobbe genoemd.
Kort nadat Maatje in 1901 weduwe was geworden deed zij het Koffiehuis, dat nu haar eigendom was, over aan haar halfbroer Jakobus Minderhoud, alias Kobus van Plat, die het café op zijn beurt rond 1928 verkocht aan Willeboord Westerbeke, alias Boordje de Kroeper.
Boordje was een ambitieus ondernemer. Hij deed ook in fietsen en benzine en hij verbouwde de oude herberg grondig. Het gebouw kreeg een geheel nieuwe voorgevel met een uitnodigende ingang, fraai versierd met gemetselde biervaatjes. En Het Koffiehuis floreerde. Centraal gelegen, dagelijks geopend, stamcafé van vele Westkappelaars, locatie voor bruiloften, uitvoeringen en koopdagen en met de kermis het thuishonk van de ringrijders. “Ie zit bie Boordje”, als dat werd gezegd, wist je het wel.
Het oude Koffiehuis doorstond het inferno van 1944, zij het niet onbeschadigd en bleef goeddeels vrij van zeewater. Boordje lapte alles provisorisch op en direct nadat de dijk dicht was, heropende hij zijn zaak.


   Het in de oorlog zwaar beschadigde Koffviehuis met een tank voor de deur; 1947

Maar dat was van korte duur. Het café moest plaatsmaken voor het geplande marktplein en, zoals later bleek, voor het nieuwe stadhuis. In mei 1948 werd een fonkelnieuw Koffiehuis geopend, aan de Markt, iets noordelijk van het oude café. Een grote gelagkamer met een dansvloer en een toog, gastenkamers op de verdieping, twee toegangen, twee kachels, moderne toiletten en een inpandige kasteleinswoning. Boordje Westerbeke had naast het café ook nog een fiets-, auto-, garage, benzine en taxiebedrijf; een multibedrijf dat een groot deel van de gevelwanden van Markt en Papestraat besloeg. De horecapoot liet Boord over aan zijn zoon Janis (Jôôs) en diens vrouw Kornelia (Kee) Verhulst.
Als kort na de opening, met de kermis, kreeg het nieuwe etablissement zijn vuurdoop. Een loze guit liet de aap van kermisman De Kaeke in de zaal los. Het beest slingerde aan de lampen en klom in de nieuwe gordijnen, tot afgrijzen van Jôôs, die zijn nieuwe spullen naar de ratsmodee zag gaan.

                                                              Het nieuwe Koffiehuis in glorierijke dagen met prinses Wilhelmina als stamgast; 1948

In 1953 werd na lang gepalaver besloten dat op de plaats van het oude café en voor de neus van het nieuwe het gemeentehuis moest komen. Een twijfelachtige stedenbouwkundige keuze. Krap bemeten en het Koffiehuis werd onopvallend voor passanten. Zie ook: Gemeentehuis.
Voorlopig leed de klandizie er niet onder. Het was en bleef een veelbezocht dorpscafé, waar altijd wel wat te doen was. Fietsenrekken van Hero Perl en Oranjeboom Bier heetten je een verfrissend welkom.

2e jeugd
Na het overlijden van Janis in 1959 bleef Kee in ’t café maar in mei 1962 kwamen Joost en Johanna ((Wanne) Cijsouw.
Vanaf dat moment beleefde het Koffiehuis zijn tweede jeugd. De sixties kwamen ook in Westkapelle tot ontbranding. Het café kreeg een jukebox en een grote rondlopende bar. Het werd in feite een disco en een trekpleister voor de talrijke jeugdige toeristen van de campings. Achter het gemeentehuis stond het ‘s zomers avond aan avond volgestouwd met Puchs en Kreidlers en ook een paar Berini’s M21. Door de openstaande ramen denderde Sam the Sham doorlopend zijn Wooly Bully over de Markt. Aan het plafond draaide een flonkerende zilveren kogel, die zorgde voor frivole, caleidoscopische lichteffecten en op de dansvloer een losbandig kluwen van hete babyboomers.
Ook voor de Westkappelse jeugd was Het Koffiehuis the place to be. In het Kasteel wilde je toen niet gezien worden, dat was een seniorencafé met alles wat daar bij hoorde.
Voor het kasteleinspaar was het een hectisch bestaan. In 1971 hielden Joost en Wanne het voor gezien en in hun plaats kwamen Piet en Suzie Huibregtse. Altijd feest en na sluitingstijd werd het gelag voortgezet in de keuken. In 1976 kwamen Sjaak en Joke Mekes. Het heftige van de jaren 60 was toen al wat geluwd door de komst van andere jeugdbars als De Schuur en de Hooizolder. Maar het bleef een drukbeklant café, vooral ook op zondag na de voetbalwedstrijd, met levende muziek tijdens hoogtijdagen. De discosfeer bleef erin met Miss You van the Stones veel gedraaid op de jukebox.

De neergang
Sjaak en Joke verlieten het Koffiehuis in 1988. Gebrekkig onderhoud en de gedateerde entourage lieten zich toen al gelden. Het café was toen nog steeds in eigendom van de familie Westerbeke, in de personen van Adriana Westerbeke, dochter van Janis, en haar echtgenoot Rob van Hoepen. Hun zoon, Rudi van Hoepen, kwam in de zaak maar hield het niet lang vol.  Een reeks goedwillende maar gemankeerde horecaffers  volgde. Aan alles in en aan het café moest nodig wat gedaan worden maar dat gebeurde niet. Vooral de toiletten waren rampzalig, zeker als het druk was. Nu had zelfs Bokito weinig schade kunnen toebrengen. Veel Westkappelaars en toeristen lieten de zaak links liggen en iedereen kon zien dat het bergafwaarts ging.
De laatste kastelein die de glazendoek in de spoelbak gooide, was Jo “Nono” Verhagen.
En wat nu?
Nu staat een grijze Westkappelaar, met trek in een biertje en de charme van een schone waardin, op de hardstenen stoep van het Koffiehuis en leest op raambiljetten dat je het kunt huren als je een nulzesnummer belt. Mijmerend en stil neuriet hij voor zich heen en uit een autoradio priemt het hoge stemgeluid van Neil Young: Helpless, helpless helpless, the chains are locked across the door. Het Koffiehuis zelf zingt bijna onhoorbaar zijn zwanenzang. En in de verte blaft een hond.

Jan Kaland/Ko Gabriëlse

Gepl. 1-4-2015