Vuurtoren

Voor veel Westkappelaars is de vuurtoren het vertrouwde symbool van het dorp. Het eerste wat je zoekt, als je na een tijdje afwezigheid weer in de Walcherse contreien komt, is “d’n toren”. Zie je de toren en het regelmatig zwaaiende licht, dan ben je weer thuis. Ook voor veel andere inwoners van Walcheren en toeristen is de vuurtoren het herkenningspunt bij uitstek. Hij was en is een inspiratie voor kunstschilders, fotografen en andere kunstenaars.


Het torenlicht, een baken voor zeelui en landrotten

Kerk en kerktoren

Op de Westkappelse kust werd al heel lang geleden vuur en licht gemaakt ten dienste van de scheepvaart. Een vuurbaak, die al  in1370 was opgericht, werd in 1398 door de zee verzwolgen. Toch is de huidige vuurtoren niet als zodanig gebouwd en bedoeld, maar als kerktoren, al heeft die wel altijd mede gediend als baken voor de scheepvaart.
Westkapelle dankt zijn naam aan een kerk, de kapel in het westen, tussen de jaren 1000 en 1050 gebouwd als dochterkerk van de Middelburgse Sint Maartenskerk. De kerk werd gewijd aan Sint Willibrord en werd een zelfstandige parochiekerk en op haar beurt weer een moederkerk voor de naaste omgeving. Zij werd het centrum van de devotie voor de heilige Willibrord, volgens de overlevering rond het jaar 700 de eerste prediker op Walcheren. Westkapelle werd een bedevaartsplaats, ook omdat in de kerk op de voet van het altaar nog lang het bloed van Willibord te zien zou zijn geweest. Zie ook: Willebrordlegende. Deze oude kerk moet hebben gestaan in het toenmalige stadscentrum, dat vanaf de 14e eeuw beetje bij beetje maar uiteindelijk geheel in zee verdwenen is.


Fantasietekening van de Middeleeuwse kerk in het stadscentrum

In 1458 moest de kerk worden afgebroken en begon men met de bouw van een nieuwe. Om niet opnieuw te maken te krijgen met bedreiging van de zee koos men veiligheidshalve voor een locatie oostelijk van de stad. Tijdelijk moest men gebruik maken van een noodkapel aan de oostkant van het pleintje dat later dan ook de Kapelle werd genoemd.
Vanaf 1470 konden de toen nog Rooms-katholieke poorters van Westkapelle gebruik maken van hun nieuwe kerk met toren, opnieuw gewijd aan Sint Willibrord. Zij was de  hoofdkerk voor Hugenskerke (Meliskerke), St. Jacobskerke en Werendijke, St. Janskerke, St. Nicolaaskerke (Boudewijnskerke) en van “Domburg extra castellum”.
Deze kerk bestond uit een driebeukige halleschip en –koor met een buiten de noord- en zuidgevel stekend dwarsschip met een vieringtorentje. Het schip en de koren hadden elk een lengte van vier traveeën. Het dak bestond uit drie evenwijdig lopende bekappingen, die hun steunpunt vonden op twee rijen zware kolommen, terwijl langs de zijmuren halve kolommen waren aangebracht. Deze ruimte was dus verdeeld in een midden-, zuid- en noordbeuk; het koor aan het oosteinde sloot daartegen aan. Onder de daken was geen zoldering, zodat men een vrije blik in de gebinten kon werpen.
Aan de westzijde was de ingang via een hoge bakstenen toren, evenals de kerk in een  laatgotische bouwstijl, geïnspireerd op de toren van de O.L. Vrouwekerk van Brugge, de grote metropool in die dagen.
De 38 meter hoge toren had haakse steunberen met natuurstenen hoekblokken en werd bekroond met een spitsvormige kap, geflankeerd door vier hoektorentjes.
Rond de kerk lag het kerkhof dat aanvankelijk door een gracht en later door een haag werd omsloten. Het kerkhof strekte zich verder westelijk uit dan het huidige “kerkemuurtje”. Naar verluidt zouden in 2010 bij graafwerkzaamheden in de Kerkeweg, skeletten van hier begraven mensen zijn aangetroffen.

Een eeuw lang was er voor de gelovigen pais en vree en bleef de kerk in het bezit van de rooms-katholieke geestelijkheid. Toen kwam de reformatie en de daarmee verband houdende opstand van de Nederlandse gewesten tegen het Spaanse regime en die was ook desastreus voor de kerk en de toren van Westkapelle. Of de Westkappelse kerk ook getroffen is door de Beeldenstorm van 1566 is niet duidelijk. Wel werden er in 1571 wachten uitgezet om de landing van de watergeuzen te voorkomen. Maar op 6 april 1572 werd Vlissingen door de geuzen veroverd en een week later koos ook Westkapelle “voor de prins”, spoedig gevolgd door heel Walcheren. Alleen Middelburg bleef Spaans en katholiek (tot 1574) en hierheen vertrok dan ook de geestelijkheid van Westkapelle.
De kerk van Westkapelle werd een protestantse kerk, die in 1582 in de classis van Middelburg werd opgenomen. Maar zij was grotendeels vernield als gevolg van de religieuze twisten en plunderingen door de Spanjaarden. Een deel van de kerk werd in 1580 hersteld, gefinancierd door de “geestelijke goederen van Walcheren”. De kerk werd aanmerkelijk verkleind. Van de koren, die voor de protestantse eredienst geen functie hadden, werden de daken en al het houtwerk gesloopt. De muren bleven staan. De oostgevel van het dwarsschip werd nu de buitenmuur; de openingen tussen het dwarsschip en de koren werden dichtgemetseld. Met de bij de afbraak vrijgekomen leien werden het dak van de toren, de hallen en het dwarsschip gerepareerd. De vieringtoren werd afgebroken. De ruimte werd verder verkleind door een eikenhouten afschutting, enkele meters vanaf de toren. De ingang via de toren was hiermee vervallen en in de zuidgevel werd een nieuwe toegang met portaal gemaakt.  Later liet de ambachtsheer Martinus Veth  (1679-1711) tegen dit schot een bank voor zichzelf en zijn familie plaatsen, de herenbocht.
In 1584 werden de ramen van de kerk gerepareerd en een gebrandschilderd raam met het wapen van Zeeland aangebracht, dit waarschijnlijk na bemiddeling van Hermanus Strange, de eerste predikant.
Het herstelwerk van 1589 was eigenlijk niet meer dan lapwerk. In de jaren 1614-1615 werd opnieuw een grote reparatie uitgevoerd, in opdracht van de Staten van Zeeland. Het in slechte staat verkerende dak van het dwarsschip werd gedeeltelijk afgebroken en van nieuwe eiken gebinten voorzien. De kappen van de hallen werden tot de oostgevel doorgetrokken. Het metselwerk van kerk en toren werden hersteld. Ook was het nodig de toren te “verstijven” met twee kruisbalken.
Bijna een eeuw lang vertoonde het kerkgebouw niet al te grote gebreken en werd het redelijk goed onderhouden, al werd het “ongodsdienstige” koor aan zijn lot en de vergankelijkheid overgelaten. Ook de toren werd slecht onderhouden. In 1695 kreeg de gemeente een kleine subsidie voor restauratie. Waarschijnlijk zijn toen de hoektorentjes afgebroken. Het bleef dweilen met de kraan open. In 1702 viel de klok, die in 1609 was opgehangen, tijdens het luiden naar beneden. Men achtte de torenconstructie te zwak voor zo'n zware klok en toen heeft men er een kleinere voor in de plaats gehangen.
In de jaren 1735-1738 eist de deplorabele en zeer bouwvallige toestand van de kerk en de toren weer de nodige aandacht op van overheid en kerkbestuurders. In 1736 moest men de kerkdiensten in het gebouw staken. Er is toen overwogen de kerk geheel af te breken en te vervangen door een kerkgebouw binnen de bebouwde kom van Westkapelle. Maar men  besloot toch tot het uitvoeren van de meest noodzakelijke herstelwerkzaamheden; als tijdelijke kerk werd een loods gebouwd. De argumenten waren niet direct van financiële aard maar men kon het niet eens worden over de plaats van de nieuwe kerk; doorslaggevend voor het behoud van het bestaande gebouw was echter de functie van de toren als baken voor de scheepvaart. Eind 1738 was het herstel van de kerk voltooid en kon de loodskerk weer worden afgebroken. Het tot een ruïne vervallen koor van de kerk was ook afgebroken; een muur en een consistorie waren er voor in de plaats gekomen. De nieuwe borstwering van de toren werd aan vier zijden gewit, opdat de toren dan van nog grotere afstand vanuit zee te zien zou zijn.
Maar kerk en toren bleven veel onderhoud vergen. Al in 1739 was herstelwerk nodig omdat een groot stuk van het leien dak van de zuidbeuk was weggewaaid doordat de spijkers waren verroest en het schaliebord was vergaan.
In 1769 werden opnieuw herstelwerkzaamheden aan de toren uitgevoerd. Voor dit werk moest een zware stelling worden aangebracht, wat het aanzicht van de toren vanuit zee ingrijpend veranderde. Om vergissingen van de zeelieden te voorkomen werden daarvoor de nodige bekendmakingen en waarschuwingen uitgevaardigd.


De toren met de kerk vanuit het westen; ca. 1770

In de Franse tijd, in 1802, werd de spits gedeeltelijk weggenomen en werd een seintoestel op de toren geplaatst.
In 1817 eigende het rijk zich de toren toe om er een kustlicht op te plaatsen. De toren moest niet alleen overdag maar ook ’s nachts als baken gaan dienen. De gemeente Westkapelle spande jaren later een juridische procedure aan over deze volgens haar onrechtmatige eigenmachtige toe-eigening. De gemeente kreeg gelijk, wat in 1855 resulteerde in verkoop van de toren aan het rijk voor het voor die tijd enorme bedrag van ƒ 12.500.

Kerktoren met een kustlicht

Voor de plaatsing van het kustlicht in 1817 werd het resterende deel van de spits afgebroken en het bovenvlak gedekt met een gemetselde overwelving voor de plaatsing van de lantaarn. Op 7 maart 1818 was de installatie gereed. In de Staatscourant stond dat de vuurtoren “op den twintigsten maart eerstkomende, met zonnenondergang, zal ontstoken worden en dat hiermede vervolgens alle nachten zal worden voortgegaan, ten einde den zeeman voortaan, zowel des zomers als des winters, tot eene baken te verstrekken”.
Op de toren was een door J. Valk ontworpen koperen koepellantaarn verschenen, in zestienhoeksvorm, op een voetstuk van hardsteen. Op de koepel dekte een holle metalen globe het walmgat af. Daarop stond een vergulde windpijl, tegen blikseminslag bedekt met glas. In de koepel schenen 15 koperen Argandlampen met verzilverde lichtkaatsers door de geslepen glazen vensters. Bij de eerste ontsteking kon men het licht tot in Oostende zien. De Westkappelse vuurtoren was revolutionair in zijn tijd. De meeste kustbakens bestonden toen nog uit steenkoolvuren. Hier gebruikte men walvisolie, om precies te zijn spermacetiolie, als brandstof.
De klokken waren in de toren gebleven ten dienste van de kerk, die er nog altijd tegenaan stond. Maar niet zo lang meer. In de nacht van 14 op 15 maart 1831 vernietigde een door de olielamp veroorzaakte brand het bovengedeelte van de toren. Het neervallende brandende hout stak ook de olie in het oliemagazijn aan en sloeg over naar de kerk. Die werd totaal verwoest. De muren die resteerden moesten worden afgebroken, zodat toren als weduwnaar overbleef.
In 1834 werd in de Zuidstraat een nieuwe kerk gebouwd, die in 1944 werd verwoest door de geallieerde bombardementen.


De ruïne van de in 1831 afgebrande kerk

Een van de eerste werken na de brand was het kustlicht in orde brengen. Al de volgende avond kon dat weer worden ontstoken. Van rijkswege werd de toren hersteld, waarbij men vooral ijzer en steen gebruikte om brandgevaar tot een minimum te beperken.
De Argandse lampen werden in 1852 vervangen door een vast lichtoptiek, een zgn. catadioptriek licht van de eerste rang. Dit licht had een middellijn van 1,84 meter en als lichtbron een petroleumlamp met vier concentrische pitten. De lichtsterkte kon worden opgevoerd tot 6300 kaars.


De toren met het catadiotrieke licht in 1900

Vuurtoren met elektrisch draaiend licht

In 1907 werden de petroleumlampen vervangen door een elektrische verlichting met booglampen. Hiervoor werd in 1906 de huidige plaatijzeren koepel op de toren geplaatst.
Het nieuwe licht bestond uit een dubbel optiek elk bestaande uit vier panelen onder een hoek van 90 graden. In plaats van een vast licht werd het nu een draaiend licht, een ingenieus systeem, net als een klok aangedreven door gewichten. Het lichtkarakter was elke  5 seconden. een schittering van 0,1 seconde. De booglampen waren geschikt voor 45V en 60A en hadden een lichtsterkte van elk 15 miljoen kaars. De vuurtoren was daarmee een der krachtigste kustlichten van Europa geworden.
Volgens waarnemingen van de Mailboot tussen Queenboro en Vlissingen was het licht bij gunstige weersomstandigheden door weerkaatsing van het licht tegen de wolken tot ver over de horizon op een afstand van 58 zeemijl (107 km) waargenomen
Dicht bij de toren aan de Grindweg, nu De Casembrootstraat, was een machinegebouw verrezen, waarin met twee wisselstroomdynamo’s, aangedreven door een motor op kolengas,  de voor het torenlicht benodigde stroom opwekten.
In 1921 werden de booglampen vervangen door gloeilampen van 80V en 50A, zgn. Brandarislampen. De lichtsterkte was nu “slechts” 2,2 miljoen kaars, veel minder dan eerst, maar ruim voldoende om het door de kromming van de aarde tot ongeveer 35 km beperkte zicht te overbruggen.
In 1934 werd de toren op het lichtnet van de PZEM aangesloten.

In de jaren 1924-1934 werd in fasen een grootscheepse restauratie van de toren uitgevoerd, onder directie van de Westkappelse aannemer Willem Roelse.
Voor het opnemen en in kaart brengen van de situatie was een bak langszij de toren gehangen.
Veel metselwerk werd vernieuwd, voor een deel met verwijderde en gebikte stenen. Afgebrokkelde steunberen werden bijgewerkt,  nieuwe vlechtingsblokken werden geplaatst en een groot deel van het maaswerk en de verweerde waterlijsten werd vernieuwd.
De grote ramen, die na de brand van 1831 waren dichtgemetseld, werden door kleinere vervangen en de oorspronkelijke galmgaten werden als nissen dichtgemetseld.


De toren met het machinegebouw in 1930

In de 2e Wereldoorlog maakten de Duitse bezetters van de lichtkoepel een uitkijkpost. Het licht draaide echter nog iedere nacht, al was het voor een groot deel verduisterd. Het licht doofde ten tijde van de geallieerde bombardementen en invasie. Een brand, waarschijnlijk veroorzaakt door de Duitsers, verwoestte het torenlicht.
Op 1 februari 1946 werd een noodverlichting op het torenplatform in gebruik genomen. Het was een luchtvaartlicht van 1500 W met een dubbel lenzenstelsel, die om de drie seconden te zien waren. Heel wat zwakker dan het vorige licht, maar toch werd nog altijd een lichtsterkte van 400.000 kaars uitgezonden over een afstand van 35 km.
Een nieuw elektrisch licht kwam 19 juni 1951 in dienst, een optiek van de derde grootte met een brandpuntsafstand van 50 cm en met een effectieve sterkte van 2,6 miljoen candela of kaars. Dit licht geeft iedere drie seconden een schittering, het is zichtbaar tot op ongeveer 20 zeemijl. Het staat er thans (2013) nog en is nog volledig actief.

De constructie en het beheer van de toren zijn sedert 1951 nogal wat veranderd. Echte torenwachters zijn er niet meer. De laatsten waren Abraham de Kam, Willem Waterman, Bertus Cornelis Compeer en Cornelis Kloosterman.
Aan het uiterlijk en het interieur zijn de nodige aanpassingen geweest.
Gedeeltelijke restauratie en onderhoud in 1976
Opknappen van het interieur in 1978
Algehele restauratie 1981-1982
Automatisering licht: 1981
Groot onderhoud in 1994
Herstel van de ijzeren koepel in 2004.
De vuurtoren wordt in de nautische terminologie ook wel het Hoge licht genoemd. Ten dienste van de navigatie vormt het samen met het Lage licht (de ijzeren toren op de dijk) een witte lichtlijn naar het Oostgat in noordwestelijke richting. Met het vuurtorentje op de duinen bij Zoutelande (voor Westkappelaars: “de lichtwachter”) vormt het een rode lichtlijn in zuidoostelijke richting.


Op de toren nog altijd de aloude "waarschuwing"

Algemene gegevens
Adres: Zuidstraat 1, Westkapelle
Positie: 51°31.752' N, 3°26.832' O
Bouwjaar: 1458-1470
Materiaal: roodbruine baksteen
Grondvorm: vierkant
Monument; beschermd rijksmonument sinds 1966
Hoogte: totaal 52,3 meter, lichthoogte 49,6 meter
Lichtbron: kwikjodide, 220V, 2000W; 2,6 miljoen Cd, met elke 3 seconden een schittering van 0,1 seconde; geplaatst op een 5x per minuut ronddraaiende tafel;
Verdiepingen: 6
Trappen: 162 stenen en 17 houten traptreden tot aan het platform; vanaf platform 3x 13 ijzeren traptreden tot optiek
Openstelling: op gezette tijden voor publiek geopend; bovenbouw met optiek niet toegankelijk
Beheerder: G. Compeer-van Beekhuizen
Afbeeldingen: zie Beeldbank


Geplaatst 15-4-2013, gew. 24-4-2013; geact. 25-11-2013