Wandeling door de geschiedenis van de smalstad Westcappel

In 1884 zat de schrijver J. Cranendock op de Hoge Hil in Domburg, van waaruit hij zijn blik over Walcheren liet dwalen. Van daaruit zag hij natuurlijk ook Westkapelle, waarover hij zich liet ontvallen:
“Westkapelle bezoeken wij ditmaal niet. 't Zou ook alleen om den prachtigen zwaren zeedijk zijn, wanneer we derwaarts gingen. De voormalige stad is een weinig betekenend dorp geworden, dat op zichzelf ons niets te zien geeft dan een heerlijk zeegezicht.” Na deze weinig waarderende woorden moeten we misschien zelf een kleine wandeling maken door de historie van dit "onbetekenend dorp” om er achter te komen dat Westkapelle, of beter Westcappel, wel degelijk een rijk en veelomvattend verleden heeft. Als we op een mooie herfstdag “den prachtigen zwaren zeedijk”, waarvan Cranendonck schrijft, op gaan en stilstaan midden voor het dorp, dan staan we meteen midden in de historie van deze stad. We richten onze blik zeewaarts Een lieflijk beeld van een zonbeschenen kleurenspel van blauwe en grijsgroene golfjes, die speels door de openingen in de paalhoofden dansen, om dan tegen de dijkglooiing wat na te grommen, bij herinnering aan de storm eerder in de week. En in de verte de felle schittering van een plas zilver, zo hel dat men even de ogen moet sluiten. Zo ongeveer op die plek daar midden in al die schittering, daar moet Westkapelle geboren zijn. In de donkere diepten onder dit zilveroppervlak moeten de geheimen verborgen liggen van een rijke handelsstad, waar koopvaarders en vissers af en aan voeren. Van een tempel gewijd aan de god Hercules Magusanus, waarin de zeelieden hun wij-geschenken brengen voor het altaar van de Jupiter en Neptunes. Dit is waarvan de geschiedschrijvers gewagen. En zij vertellen ook dat de christenzendeling Willebrord anno 694 aan de Westcappe geland is en het gewaagd heeft het beeld van Mercurius omver te werpen, wat hem bijna het leven kostte. (Zie ook: Willlebordlegende). Veel later, in 1514, werden op het strand allerlei voorwerpen gevonden, een steen met het opschrift Herculi Magusano M. Priminus VSL, munten te Dordrecht en te Utrecht geslagen en in Frankrijk of Brittannië gemunt, voorzien van het teken van het kruis. Zij verhalen van Christendom, van handel, bloei en welvaart. Waarschijnlijk de eerste bloeiperiode van Westcappel.

Opkomst en bloei in de Middeleeuwen
Maar zie, daar komen over zee de zeekoningen, die geweldige mannen uit het noorden en hun drakenschepen houden aan op de kusten van de Walacra. Deze zonen van de Gryma Herna zijn uit op roof en zij vinden achter de Westcappe een beschutte landings- en ligplaats voor hun schepen. Met de bloei van de Westcappe is het voorlopig gedaan.



Bij hun vertrek lieten de Vikingen een verwoeste en uitgeplunderde landstreek achter. Hoe de kust er omstreeks die tijd uitzag, daarover is weinig bekend. Er moet een duinenrij geweest zijn met een smal strand. In de monding van de Honte lag mogelijk het eiland Schooneveld, dat een goede beschutting bood aan de Walcherse kust en het landen met schepen hier mogelijk maakte. Door deze gunstige ligging ontstond er na de rooftochten van de Noormannen weer een zeker welvaart aan de Westcappe. De achtergebleven Westcappelaars legden zich toe op de visserij en er werd weer handel gedreven. Het uitgeplunderde land herstelde zich en Westcappel ging zijn tweede bloeiperiode tegemoet. En toen kwam er natuurlijk ook een kerk. Aan deze westelijke kapel -dus niet aan de westkaap-  dankt Westkapelle zijn naam. Aanvankelijk dacht men dat de moederkerk van de west-kapel in Oud-Domburg stond maar de Amsterdamse hoogleraar nederzettingsgeschiedenis P.A. Henderikx heeft eind 20e eeuw na bestudering van kerkelijke documenten aannemelijk gemaakt dat de west-kapel en ook de oost-kapel omstreeks 1070 zijn gesticht als dependance van de Middelburgse Sint Maartenskerk. Zowel West- als Oostkapelle werden gewijd aan Sint Willebord en later op hun beurt moederkerken voor de naaste omgeving. De kerk van Westkapelle was nog tot in de 16e eeuw een bedevaartsplaats.

En  als we onze blik opnieuw naar de zee richten, rijzen opnieuw beelden op van een haven met in- en uitvarende haringbuizen, beladen met glimmend zeebanket en schepen met waren uit vreemde streken. Dat er in Westkapelle een echte haven was, is niet zo waarschijnlijk maar niettemin verhalen verschillende kroniekschrijvers over een handelsplaats van grote betekenis. De rechtsbronnen uit die dagen spreken ook  van “zeerechten dien men ghewoon is te Westcappel te gebruycken”. Het ooit door de Noormannen uitgeplunderde land, dat als van geen enkel belang voor de vorsten onder de graven van Vlaanderen en Holland was verdeeld, kreeg weer betekenis en Westcappel nam hier als centrum van handel en visserij en ook op kerkelijk gebied een belangrijke positie in. En zoals alle plaatsen van enig belang in de Middeleeuwen kreeg ook Westcappel zijn privileges. In 1223 nemen Graaf Floris IV van Holland en Dirk van Voorne, burggraaf van Zeeland, de bewoners van Westcappel in bescherming en regelen de wijze waarop recht zal worden gedaan in originele en civiele zaken. Voorts kreeg Westcappel in dit jaar de titel van Poorte, d.w.z. Stadsrechten en een goede toekomst leek verzekerd. Maar bij Middeleeuwse graven hoort wapengekletter en de tussen de graven van Holland en Vlaanderen was er voortdurend gesteggel over het gebied dat als  "Bewesten de Schelde" aangeduid werd en waar ook het eiland Walcheren toe behoorde. In 1253 kwam het tot gevechten tussen legers van Margaretha van Vlaanderen en Willem II van Holland en Zeeland. Margaretha rustte een grote vloot uit, die bij Westkapelle zou landen, om Walcheren definitief in Vlaamse handen te krijgen. De Westkappelaars voelden zich kennelijk meer op hun gemak onder de Hollandse graven en boden zich aan bij Floris, de broer van Willem II, om te helpen de aanval af te slaan. Het Hollandse leger mèt de Westkapellaars had zich verscholen in de duinen toen op 1 juli 1253 de Vlaamse vloot in zicht kwam. De Vlamingen ontscheepten zich nietsvermoedend en op dat moment stormden de Westkapellaars, onder de wapenkreet “Sint Willebord” met een enorme verwoedheid op de vijand in. Deze raakte daardoor zo in verwarring en ontreddering dat het een koud kunstje was voor het leger van de graaf om de Vlamingen volledig te verslaan.
Op de totale Hollandse en Vlaamse geschiedenis is dit feit misschien van ondergeschikt belang, maar deze overwinning was wel aanleiding tot een jaarlijkse plechtige ommegang door Walcheren, een processie, op 4 juli, waarin een kistje met gebeente van Willebord en een splinter van het kruis van Christus zou zijn meegedragen. Uit deze processie is later de roemruchte Westkappelse kermis voortgekomen. Zie meer hierover onder kermis.

Vanzelfsprekend kwam Westcappel door de spontane vechtpartij met de Vlamingen nog meer in de gunst te staan van de landheren en in 1327 bevestigde graaf Willem III van Henegouwen de rechten die Floris IV aan de poorters had verleend. Maar hij verbood tegelijkertijd het dragen van “zwairde, knive, cordelyscolven, Lombairdsche messe en alle ander scarporde messe”. Misschien waren de Westkappelaars na de slag tegen Margaretha het vechten nog niet verleerd.

Nog eenmaal richten we onze blik naar de zee. Ze lijkt vandaag vriendelijk maar het oude Westkapelle heeft zij op vijandige wijze van haar bewoners afgepakt.

Bedreiging van de zee en verval 1340-1450

Nu we ons verlustigd hebben aan het prachtige zeegezicht vervolgen wij onze wandeling door de historie naar 23 december 1340. Op deze dag staat graaf Willem van Henegouwen aan de poorters van Westcappel toe, met al hun goederen tolvrij door zijn landen van Holland en Zeeland te varen en gebiedt hij zijn tolgaarders hen ongehinderd voorbij te laten gaat.
Maar toch: de welvaart wordt bedreigd en wel door degene die hem ook verschafte, de zee. Het eiland Schooneveld wordt als eerste overrompeld en verdwijnt. En dan brokkelen bij ieder getij, langzaam maar zeker ook de duinen van Westkapelle af. Nog steeds is Westkapelle en belangrijke stad. Nog staat zij in aanzien bij de graven. De eertijds verleende handvesten en privileges worden op 19 mei 1355 door hertog Aelbrecht van Beieren bevestigd. Op 4 november 1361 staat deze hertog toe ieder jaar een vrije jaarmarkt te houden, ingaande met “Onze Lieve Vrouw Nativitas” (Mariageboorte, 8 september) welke 4 dagen duurde. (zie ook kermis).
Maar de bevestiging van de privileges was niets meer dan de bevestiging van de schijnwelvaart, want de hertog van Beieren deed meer. In 1370 gelastte hij een vuurbaken op de duinen op te richten "om vier te barnen op die vierboete te Westcappel, om stadiglick vier te branden van dezen tijd”. Een bewijs dat het voor de scheepvaart toen al niet zonder gevaar was om Westkapelle in de nacht aan te doen. Het wegschuren van de duinen is in volle gang. Het noodlot is onafwendbaar. De poorters beseffen het gevaar en spoeden zich naar Middelburg en vragen om een “cleen dijkckskijn””.
In 1398 stort de vuurbaak naar beneden. "Albrecht bij Gods genade doet condt alen luiden, dat die vierbaeke van Westcappel nedergevallen en gestort is voor onze stede van Westcappel”. De graaf is bezorgd maar vooral voor zijn beurs. Hij vaardigt een ordonnantie uit luidende: “Die vuurbaek mag niet worden opgericht zonder onze toestemming, doch geven aan de stadt en hare medepoorteren, dat zij aanvaerden en aentasten mogen, alle goederen die zij in de zee drijvende zullen vinden voor Westcappel en alle andere seedrift die daar aankomen zal binnen hare vrijheden. Is de seevonde boven een pond (6 gulden) groote, een deel tot haere vuurbaeke te maken en die staende te houden volgens goeddunken van onzen rentmeester”. Toen begon het dus al met de strandvonderij.
Op 14 juli 1432 togen de abt en de magistraat van Middelburg derwaarts, “overmits dat die dunen seer verminderden en wechscuerden ende want die goeden luden van Westcappel begheerden te hebben een cleen dijckskijn”. Waarschijnlijk was dat nog niet het begin van de huidige kolossale dijk. Het begin hiervan is te dateren omstreeks 1540.

Hoe dan ook, een periode van welvaart en bloei in de historie van Westkapelle werd afgesloten. Een nieuw tijdperk was aangebroken, een tijdperk van voortdurende en moeizame strijd tegen de steeds opdringende zee, een tijdperk van omscholing van visser en koopman tot dijkwerker, een tijdperk van wanhoop en bittere armoede.
En met het verminderen van de welvaart, verminderde helaas ook de goedgunstigheid van de graaf. Westkapelle is een failliete boedel geworden en in 1453 verkocht Philips de Goede, hertog van Bourgondië en ook graaf van Holland, Zeeland en Vlaanderen, het samen met Domburg en Vlissingen aan Hendrik van Borssele, heer van Veere. Dit was het einde van Westkapelle als grafelijke stad. In 1466 kreeg de heer van Veere de heerlijkheid in onsterfelijke leen, zodat de stad voortaan deel uitmaakte van het markizaat van Veere. Meer dan 500 jaar later, in 1997, herhaalde deze geschiedenis zich.
Of er veel heerlijks in de heerlijkheid Westkapelle viel te genieten, zullen we zien als we onze wandeling verder vervolgen.

Philips de Goede, hertog van Bourgondiië, tot 1453 heer van Westkapelle

Bestuur en kerk verhuizen 1450-1470

We gaan nog even terug naar de baai en het strand in 1458,  Naar de laatste visssersschuiten die daar  toen zo eenzaam op het kale uitgestorven strand lagen. Naar die paar Westkappelse vissers, die met verbeten gezichten bezig zijn hun schepen te teren en die nog niet konden besluiten om naar Vlissingen te vertrekken, ook al is er hier in Westkapelle geen droog brood meer te verdienen.
De geestelijkheid geeft in die dagen tekenen van onrust. Zij vraagt en verkrijgt van Jacob van Beieren, met goedkeuring van hertog Philips van Bourgondië, vrijdom van schot en bede over 66 gemeten land, dat toebehoort aan de kerk, dit omdat “de kerk de zee zeer nabij is gekomen en zij die van noodwege op een andere plaats zullen moeten zetten”. De magistraat wordt eveneens door zorgen gekweld. Hij moet in 1477 zijn zetel overbrengen naar het gebouw van een zekere Michiel Adriaensz., die dit pand aan de stad schijnt te hebben verkocht.
In de stadsrekening, lopende van St. Catharinedag (25 november) 1485 tot St. Catharinedag 1486 werd althans vermeld dat Michiel Adriaensz. nog te vorderen heeft als restant voor het stadhuis £ 21.6, waarvoor dus het vermoeden bevestigd wordt dat de regering bij de verhuizing uit de oude stad, dit pand heeft gekocht om in jaarlijkse termijnen af te betalen.
Dit huis van Michiel Adriaensz. zal velen niet onbekend voorkomen, want dit was tot aan de verwoesting in 1944 als stadhuis in gebruik en als zodanig te zien op talloze foto's. De hardstenen stoep en pilaren, die de voorgevel vormden waren er in 1477 nog niet. Deze neoklassieke façade is pas in 1783 voor het stadhuis geplaatst.
Bij de verhuizing van de inventaris van het stadhuis in 1477 bleek evenwel dat van het stuk, waarop alle rechten van de stad waren gebaseerd (de privilegebrief van de graven) niet veel meer over was dan een vodje papier.
En in onze fantasie zien we de sombere opkamer in het huis van Michiel Adriaensz. De magistraat gezeten achter zijn hoge lessenaar doopt met gefronst voorhoofd zijn veren pen in de inkt. Sierlijk krullende letters verschijnen op het perkament. Een bede aan Vrouwe Maria van Bourgondië om de privilegebrief van 1223 verleend door graaf Floris IV en die van de vrije jaarmarkt van 1361 te vernieuwen en te bevestigen, daar zij “door oudheid onleesbaar of door vocht bedorven waren”.
Aan dit verzoek van de magistraat werd nog in 1477 voldaan “overmits die soute lucht van der zee, daar dieselve steeds op geleghen is, met vel andere ende diverse privilegiën al gheheel vergaen was, alzoo dan daeraf niet ofte weynich uit gescrift vinden en conde dan die segel”.
De zee dringt zich op, steeds verder en verder, en staat voor de poort van de kerk. Westcappel voelt zich bedreigd, zonder bescherming. Er gaan bange geruchten door het Walcherse land. De kerk van Westcappel, gewijd aan de schutspatroon St. Willebrord zal worden afgebroken. Ook in Middelburg voelden “de heeren dien 't land van Walcheren bevolen is” zich niet op hun gemak. En op 4 september 1458 togen zij naar Westkapelle om “de kercke en sommige husen aldaer af te breken”. Weer had de zee een overwinning behaald.
Dit is het enige wat van de oude kerk bekend is. Waarschijnlijk heeft men een gedeelte van de afbraak gebruikt om een noodkerk te bouwen. Deze hulpkapel heeft waarschijnlijk gestaan, daar waar voor de Bartstraat, de Zuidstraat en Achteromme de weg samen kwamen. De naam van dit straatgedeelte, “De Capelle”, is hieraan ontleend.


Westkapelle, zoals getekend door Jacob van Deventer in 1558; de inlaagdijk die de Oude Markt doorsnijdt, is daarop duidelijk aangegeven

Kerk en toren

Op onze wandeling door de Westkappelse geschiedenis komen we als vanzelfsprekend terecht bij de vuurtoren. Meer dan vijf eeuwen staat de oude daar al. We kijken een beetje eerbiedig tegen hem op, want hij kent de geheimen van het verleden, dat wij slechts aarzelend proberen af te tasten. Hij kent de vreugde en de ellende van de Westkappelse mensen, die twaalf jaar lang voor een schamel loon en een schamele bete broods gestaag voortbouwden aan hun symbool van kracht en godsvertrouwen. Zover mogelijk oostwaarts, helemaal aan het uiteinde van de stad, eigenlijk zelfs daarbuiten, werden omstreeks 1458 de eerste stenen gelegd voor kerk en toren. Nog steeds beducht voor de opdringende doodsvijand, de zee, die de eerste St. Willbrorduskerk geveld had.
In 1470 was het werk volbracht. In alle pracht en praal herrezen stond de 2e Willeborduskerk fier, wijzend met de vinger naar boven op de punt van het eiland. Een hallenkerk met aan de westzijde een hoge toren, in Gotische bouwstijl en die geïnspireerd lijkt op de toren van de O.L. Vrouwekerk van Brugge, de grote metropool in die dagen. De hoofdkerk voor Hugenskerke (Meliskerke), St. Jacobskerke en Werendijke, St. Janskerke, St. Nicolaaskerke (Boudewijnskerke) en van “Domburg extra castellum”.  
Het schip van de kerk had een aanzienlijke lengte en breedte en was gedekt met drie evenwijdig lopende bekappingen, die hun steunpunt vonden op twee rijen zware kolommen, terwijl langs de zijmuren halve kolommen waren aangebracht. Deze ruimte was dus verdeeld in een midden-, zuid- en noordbeuk; het koor aan het oosteinde sloot daartegen aan. Onder de daken was geen zoldering, zodat men een vrije blik in de gebinten kon werpen. Op de 38 meter hoge toren stond oorspronkelijk een spitsvormige kap, geflankeerd door vier hoektorentjes.
Tot omstreeks 1570 bleven kerk en toren in het bezit van de Rooms-katholieke geestelijkheid. Tengevolge van de woelingen ten tijde van de reformatie moeten de gebouwen veel geleden hebben. Dit blijkt uit een verzoek van Adriaan Oilarst, gericht aan prins Willem van Oranje: “dat de geestelijke landen, nog onverkocht zijne,  onverkocht zouden blijven en de pachten aangewend, allereerst tot opbouw en redeficatie van de geruïneerde kerk en toren”.

De kerk in vervallen staat in 1743

In 1817 besloot de staat der Nederlanden om op de kerktoren een kustlicht te plaatsen ter beveiliging van de scheepvaart. De kap werd daartoe geheel weggenomen en het bovenvlak gelijk gemaakt. De trotse toren kreeg in plaats van een kruis, een met olie gestookte metalen lantaarn op zijn kop. Hiermee werd tevens het definitieve vonnis over de 2e St. Willebrorduskerk geveld. In de nacht van 14 op 15 maart 1831 brandde door toedoen van de grote hoeveelheid aanwezige olie de kerk volledig uit. Een ironisch noodlot: zich veilig wanend voor het water werd de kerk vernietigd door het vuur. Ook de toren liep ernstige schade op maar hij overleefde het inferno. Hij werd van rijkswege inwendig geheel opnieuw ingericht om tot op de dag van vandaag dienst te doen als vuurtoren.
De godsdienstoefeningen werden nu gedurende drie jaar gehouden in het pakhuis van de ambachtsheer.
Op 4 april 1834 werd door Jhr. Willem Frederik van Doorn de eerste steen gelegd van een nieuwe kerk, die op 9 november 1834 door Ds. J.W.F. Koningsfeld, predikant te Meliskerke, werd ingewijd.
Deze kerk stond in de Zuidstraat, tegenover de pastorie en ook zij werd door vuur verwoest, op 1 november 1944, 110 jaar na haar inwijding.
Meer informatie over kerk en vuurtoren

Een ambachtsheer in zijn Hof

In het jaar 1679 werd Martinus Veth ingehuldigd als ambachtsheer van Westkapelle. Westkapelle was al meer dan 200 jaar geen grafelijke stad meer en was er met het bewind van de ambachtsheren niet op vooruit gegaan. Maar Martinus Vet was de eerste ambachtsheer die zich rechtstreeks bezighield met de belangen van de heerlijkheid. Als we de geschiedschrijvers mogen geloven toonde hij zich in zijn daden echt een Heer van Westkapelle te zijn. Of de “goede daden” die daarbij vermeld worden bijzonder in de smaak van de bevolking zijn gevallen mag echter op z'n minst worden betwijfeld. Zo werden op stadskosten een galg en een schavot in orde gebracht. Dat deze ook daadwerkelijk werden gebruikt, blijkt uit menige uitgaafpost, vermeldende loon voor het opstellen van het schavot en executieloon voor de scherprechter. De heer had dus waarschijnlijk een groot gevoel voor orde en zedelijkheid in zijn heerlijkheid.

In de plaatselijke verordening werd een bepaling opgenomen luidende: “Zij die kind of kinderen krijgen 5, 6 of 7 maanden na de bevestiging van hun huwelijk zullen verbeuren 100 Carolusguldens”. En hij schreef de koster voor “zolang voor de kerkdeur te staan tot de eerste psalm gezongen was, om de honden uit de kerk te houden”. Ook de financiële toestand ging hem ter harte. Verschillende jaarwedden werden afgeschaft, n.l. Die van de bailluw (f. 12,--) van de secretaris (f. 36,--) en van de bode (f. 24,--). Voorts moest voortaan voor een zitplaats in de kerk een vergoeding worden betaald.

Westkapelle zoals verbeeld in de Cronieck van Smallegange 1696 met in de inzet een suggestie van een ommuurde Middeleeuwse stad

Martinus Veth liet in Westkapelle een grote buitenplaats aanleggen, oostelijk van het toenmalige gemeentehuis. Hoe deze buitenplaats, het Hof van Westkapelle, er uit heeft gezien, daarvan kunnen we ons een voorstelling maken uit de afbeeldingen in de Cronieck van Smallegange. Ze doen wat zoetig aan, deze plaatjes. Ze tonen een ander soort Westkapelle; minder hard, minder kaal. Hoge bomen met kruinen van dik gebladerte, huizen aan een stille, warme straat. En daarnaast, in al zijn voornaamheid, de toegangspoort tot het Hof van Westkapelle, de residentie van de ambachtsheer, de ongekroonde koning van het grootgrondbezit. Midden in de straat staat de stadspomp, versierd met een gebeeldhouwde, wateruitbrakende leeuwenkop. Een landman zit erbij en rookt zijn pijp, verderop wandelen een deftige heer en dame. Over het hele beeld hangt een zekere loomheid, een zekere berusting, die niet in overeenstemming kan zijn met de toestand van de bevolking en de strijd die zij voerde tegen de opdringende zee.

Meer informatie over het hof van de ambachtsheer

Psalmenoproer en een Bataafse omwenteling in Westkapelle, 1750-1815.

“Wij erkennen geen Souverein, maar de vrijheid”. Kort en afgemeten kwamen deze woorden eruit. Zij kletsten op de vergadertafel, midden tussen de Magistraat, de burgemeester en schepenen en rolden tegen de ganzenveer van secretaris Serlé. Zeven Magistraten keken misnoegd in de vierkante vastberaden gezichten van een drietal dijkwerkers. We schrijven het jaar 1778.
Ze waren zomaar de vergadering van de Magistraat binnengedrongen en eisten intrekking van het vonnis, waarbij een koppige Fries, een zekere Burggraaf, verbannen was, omdat hij de kerkzang in de war had gestuurd. Er moesten nieuwberijmde psalmen worden gezongen met onderscheid tussen hele en halve noten en daar was bepaald niet iedereen het mee eens. En iedereen zong wat hij of zij wilde. Toen kwam het verbod. De ambachtsheer deed afkondiging: “Verbod van alle wanorde in het psalmgezang in de kerk, op eene poenaliteit, dat zij die zulks plegen, de inwoning in deze plaats voor eenigen tijd zullen ontzegd en dus gebannen worden.”
Maar het volk, en dat waren de dijkwerkers, nam het niet. “We erkennen geen Souverein, maar de vrijheid”. De nieuwe patriottengeest was ook in Westkapelle doorgedrongen. Het ging kennelijk niet alleen om de psalmenzang, niet om de Magistraat, het ging vooral tegen de ambachtsheer. Want er lag onrecht in zijn geboden. Had hij al niet eerder een deel van de Zuidstraat bij zijn buitenplaats gevoegd en de Zuidstraat daarvoor laten verleggen? En had hij de karders daarvoor niet slechts een half loon uitbetaald onder bedreiging van toepassing van het Placaat, d.w.z. minstens twee dagen zonder enige betaling rijden. Hij bewoonde een herenhuis met prachtig aangelegde tuinen en met goudbehang versierde kamers. De dijkwerkers daarentegen huisden in kleine, vochtige hutten. De Westkappelse weerstand tegen dat onrecht werd daar midden tussen de schepenen geworpen, een nare tijding voor de ambachtsheer.  
En toch hadden ze hun best gedaan voor het welzijn van Westkapelle, de drie opeenvolgende ambachtsheren; Martinus Veth 1679-1711, Martinus Johannis Veth 1711-1755 en Martinus Johan  Veth van de Perre 1755-1795. Onder hun bewind waren verschillende voorzieningen tot stand gekomen: een school, een stenen korenmolen op de dijk (1773), een brandspuit, maar ook herendiensten en recognitiën ten bate van de ambachtsheer en zelfs een schavot.
De op Franse leest geschoeide Bataafse Revolutie van 1795 viel dus ook in Westkapelle in vruchtbare aarde. De Souverein ging en de vermeende vrijheid kwam. In de notulen van Westkapelle lezen we: “Eerste dag der Westkappelsche vrijheid. Tegenwoordig waren al de hiervoren genoemde leden. De deputatie, bestaande uit 8 kiezers werd binnengelaten. Na bekomen verlof vroeg haar secretaris Huibregt de Wagenmaker, om de klok te doen kleppen en de publicatie nog eens voor het volk te verkondigen. Dit gebeurde. Na afloop deed Bart Dikstaal, herbergier, de volgende aanspraak: Achtbare heren! “Daar thans de souvereiniteit, dat is de oppermacht des volks, door de Staten van Zeeland erkend en de eed op de constitutie is opgeheven; het vrije volk van Westkappel van die erkende souvereiniteit zullende gebruik maken, houdt de tegenwoordige regeering als niet door hen gekozen of aangesteld, van hunne posten ontslagen, gelijk zij hen ontslaat bij deze, echter onder deze bepaling dat ieder van hen verantwoordelijk blijft voor al hetgeen in den tijd van zijne bediening mocht zijn voorgevallen”. Al de leden van den magistraat nemen het ontslag aan en verlaten de raadzaal. De deputatie benoemde nu 2 hunner in commissie met hun bode Jacob Florusse, om de nieuw verkozen leden der Municipaliteit uit de herberg Het Kasteel van Batavia naar het stadhuis te geleiden, om daar met hun benoeming bekendgemaakt en beëdigd te worden. Zij verschenen en waren: Willem Serlé als Maire en tevens als secretaris, Willem Leunis Roelse, Jan Pieter Minderhout, Nicolaas Hemert van Breda, Gerrit van Sighem, Dingeman Pieter Looyse, Salomon Boisserolle en Lein de Witte, als rechters. Hun werd medegedeeld dat hun aanstelling provisioneel is en slechts voor 2 maanden. Zij moesten echter in handen van de gedeputeerden uit de kiezers den volgenden eed afleggen: Ik beloove en sweere  dat ik den post mij toevertrouwd in naam der burgerie getrouw zal waarnemen.
Maar in de volgende jaren bleek de zo begeerde vrijheid vals te zijn. Al snel verscheen een heer uit Frankrijk met zijn geboden. En Franse troepen werden in Westkapelle gelegerd. En de conscriptie, de plicht om in het Franse leger te dienen. Dat alles was niets voor een Westkappelaar die opnieuw om vrijheid riep.

Later meer.