Wederopbouw van Westkapelle 1945-1957

Al in het najaar van 1944 wordt de Dienst Droogmaking Walcheren van Rijkswaterstaat ingesteld, maar pas na de bevrijding van Nederland boven de rivieren kon het herstel van de dijken van Walcheren enigszins op gang komen. Het dijkgat in Westkapelle is dan al uitgedijd tot een breedte van 600 meter. De gaten bij Rammekens en Veere zijn nog breder. Maar uiteindelijk komt er groot materieel, zandzuigers, baggermolens, schepen, draglines, rijshout, steen en ook veel mankracht. Op het hoogtepunt werken aan de droogmaking van Walcheren zo'n 3500 mensen en er komt hulp uit het buitenland. Over de toekomst van Westkapelle heerst tot diep in 1945 nog grote twijfel. "Kan dat alles nog in orde komen", vraagt men zich in brede kring af. Er moest ook nog veel gebeuren voor de bevolking hier weer op menswaardige wijze zou kunnen wonen.


Dijkherstel in uitvoering; zomer 1945

Op 12 oktober 1945 kon in Westkapelle definitief uitgeroepen worden: “De dijk is dicht”.
Voor de arbeiders die de herstelwerkzaamheden verrichten, waren noodonderkomens gebouwd, o.a. “Het Kamp”, waar later de mensen van de Molukken in werden gehuisvest. Veertig geallieerde militairen die bij de herstelwerkzaamheden hielpen, waren gehuisvest in de vuurtoren. Vanaf 26 februari 1945 werd het puinruimen door de dienst Wederopbouw uitgevoerd. de bevolking was met 259 toegenomen. Ook veel Westkappelse arbeiders werkten vanaf het begin aan de wederopbouw. Als in die tijd aan kinderen werd gevraagd wat hun vader deed, was het antwoord standaard: “Dien wêrkt in de puun”.


Opruimen van puin in de Noordkerkepad

De voedselvoorziening kwam langzaam op gang en de molenaar, bakker, slager, winkelier en kruidenier waren weer aan het werk. Ondanks alles was de stemming onder de bevolking goed. Loco-burgemeester Lou Roelse omschreef deze op 17 maart 1945 als “vrij goed, er bestaan vele redenen tot klagen. Kapotte woningen, gebrek aan kleren, kortom gebrek aan alles, doch de menschen, die naar hier zijn teruggekeerd zijn van het slag die liever thuis alles ontberen, dan de voeten onder andermans tafel te steken. Ze werken en hebben geen tijd om te klagen.”
De particuliere hulp werd na mei 1945 gecoördineerd via de Hulp Actie Rode Kruis (HARK). In grote massa’s kwamen dumpgoederen uit binnen en buitenland. Een Zwitserse organisatie deed in augustus 1945 vier compleet uitgeruste arbeiderskampen cadeau, die bekend werden als “Het Zwitserse kamp”.
Voor de bevolking werden houten noodwoningen, een noodkerk, een noodschool en noodwinkels gebouwd, noordelijk van de Krekelstraat, in een al voor de oorlog geëgaliseerd duingebied dat eertijds bekend was als “D’ ôôgten en lêêgten”.


Noordwoningendorp Noordervroon; 1946

Toen het puin was geruimd, de bomkraters waren gedicht en nutsvoorzieningen waren aangelegd, werd vanaf 1947 begonnen met de herbouw van Walcheren.

De opdracht tot het maken van een herbouwplan werd gegund aan de Haagse architect D. Roosenburg. Het herbouwplan sloot aan bij wat Westkapelle eeuwenlang kenmerkte: een dorp niet langs de dijk, maar haaks erop. Aan de basis van het ontwerp liggen vier kenmerkende blikvangers: de dijk, de gespaard gebleven vuurtoren, het behoud van de Zuidstraat als ruggengraat van het dorp en parallelle straten aan weerszijden van de Zuidstraat. Verder gold de gespaard gebleven bebouwing als uitgangspunt.
In het midden van het dorp was ruimte voor een brink. Het stadhuis werd onder de dijk geprojecteerd. Na beoordeling van het plan door de plaatselijke aannemer Willem Roelse werd een aantal onderdelen van het plan veranderd. Zo werd de brink niet aangelegd en kwam het stadhuis aan een centraal plein te liggen. Een verbreding van de Zuidstraat zou hier ruimte scheppen voor de nieuwe kerk en ook voor evenementen als het ringrijden. De eerste huizen in de Zuidstraat waren in oktober 1947 gereed.


Wederopbouw in de Zuidstraat met de tanks nog in de straat; 1947

Financiering van de bouwkosten kwam vanaf 1948 voor een deel voor rekening van het rijk. Nog dat jaar werden tweehonderd huizen gebouwd. Het plan van Roosenburg en Roelse was na uitvoering een harmonisch geheel geworden.

Het oude stadhuis was verwoest en het gemeentebestuur had het eerste jaar na de bevrijding voor kantoorruimte naar Domburg moeten uitwijken. In het najaar van 1945 kon het in een noodgebouw in het Zwitserse kamp onderdak krijgen, totdat in 1954 een nieuw gemeentehuis kon worden getrokken. Ook dit gebouw met het opvallende en artistieke open torentje, was een ontwerp van architect Roosenburg. Het stadhuis werd hèt symbool van een herrezen Westkapelle.

Voor het opnieuw opbouwen van het sociaal-culturele leven werd de Stichting Westkapelle Herrijst in het leven geroepen. Door de fondsenwerving en activiteiten van deze stichting kon het sociale leven inderdaad weer tot volle bloei komen, niet in de laatste plaats door het realiseren van een verenigingsgebouw, dat tot op de dag van heden met recht en met ere de naam “Westkapelle Herrijst” draagt.

 

Gepl. 22-10-2010; herzien 23-10-2014