De gemeentehuizen van Westkapelle

Het eeuwenoude stadhuis

Hoewel dat niet helemaal vaststaat, mag worden aangenomen dat in de middeleeuwse bloeiperiode van Westkapelle, vanaf ongeveer het jaar 1200, het stadsbestuur zetelde op de (Oude) Markt, in de directe omgeving van de kerk en de waag. Maar de duinen voor Westkapelle kalfden steeds verder af en ook het tegen het duin aanliggende stadscentrum verdween vanaf het begin van de 14e eeuw beetje bij beetje in zee en onder de dijk. In 1458 moest de kerk worden afgebroken en na 1460, toen men de duinen nog verder ging versterken, werd ook de zetel van de magistraat van Westkapelle bedreigd en moest hij die verplaatsen naar een veiliger, meer oostelijk gelegen locatie.
Het stadsbestuur kocht daarvoor omstreeks 1477 van ene Michiel Adriaansz. een huis aan de zuidzijde van de Zuidstraat, die toen nog de Langestraat heette. Het stond bij de kruising met de Kloosterstraat en de Papestraat (toen Monnikenstraat genaamd), ongeveer daar waar nu het pand Markt 102 staat. De koopsom zou in jaarlijkse termijnen worden voldaan. Hoe oud dit huis toen al was, is niet bekend, maar het uit Zeeuwse moppen opgetrokken gebouw moet voor die tijd aanzienlijk en betrekkelijk groot zijn geweest. Het zou tot oktober 1944 als gemeentehuis –in Westkapelle zeggen ze “stadhuis”- dienstdoen.
Bij het overbrengen van de stedelijke documenten moest men vaststellen dat er bij waren die al verreweg waren vergaan, zoals de privilegebrief met de stadsrechten van 1223 en het uit 1361 daterende document waarin Westkapelle werd begiftigd met een vrije jaarmarkt. De Magistraat vroeg daarom aan landsvrouwe Maria van Bourgondië deze privileges te bevestigen en te vernieuwen. Op 8 mei 1477 voldeed Maria aan dit verzoek "overmits die soute lucht van der zee, daer dieselve steede op ghelegen is, met veel andere ende diversche privilegiën al gheheel vergaen was, alzoo dat men daeraf niet ofte weynich int gescrifte vinden en conde, dan die segel". In de loop van de volgende eeuwen zijn ook deze vernieuwde documenten verloren gegaan, mogelijk pas bij de oorlogsbrand van Middelburg op 17 mei 1940, toen ook het rijksarchief werd verwoest.
In 1486 was het nieuwe stadhuis nog niet afbetaald. Michiel Adriaansz. kreeg toen een termijnbetaling van 2 pond Vlaams, waarna nog een schuld van ruim 21 pond resteerde.
Ongeveer een eeuw later moest het stadhuis gerestaureerd worden; het was in een zodanig slechte staat geraakt, dat het stadsbestuur in een herberg moest vergaderen.
Weer zo'n 50 jaar later was het gebouw opnieuw in verval geraakt en besloot men het geheel te vernieuwen. In 1636 dichtte men het dak nog provisorisch met “glui” (stro of riet geschikt voor dakbedekking) maar in 1637 werd het stadhuis terdege gerepareerd en opnieuw opgebouwd; er werden uitgaven genoteerd voor steen, spijkers, ijzerwerk, een leien dak, vier nieuwe vensters met Frans glas, herstel van het uurwerk en aanschaf van een buffet, totaal voor 275 pond Vlaams. Om deze kosten te dekken gaf prins Maurits van Oranje, toen heer van Westkapelle, toestemming tot het heffen van accijns op wijn en bier, kennelijk ook toen al een lucratieve zaak.


De omgeving van het stadhuis en de buitenplaats van de ambachtsheer eind 17e eeuw

Het stadhuis was sedert 1680 omringd door het hof en de huizen van de ambachtsheer, gebouwd in opdracht van Martinus Veth. In de 2e helft van de 18e eeuw legde ambachtsheer Veth van de Perre ook beslag op delen van de Zuidstraat en de Kloosterstraat. Zie ook: 'Eeren ‘uus.
In zijn beschrijving van Zeeland uit 1753 noemt Isaac Tirion het stadhuis een “gemeen gebouw”, met andere woorden een gewoon huis als alle andere, dit in tegenstelling tot het "deftig gebouw met sierlijk hof en lommerijke plantagie" van de ambachtsheer.
Voor het stadhuis verrees in 1768 een hardstenen waterpomp en in 1783 kreeg het stadhuis een nieuw voorfront, een neoclassicistische façade, eveneens van hardsteen.
Tot veler leedwezen werd de pomp, die ƒ 320 had gekost, in 1858 opgeruimd om reden dat deze de weg zou versperren.


Het stadhuis en de hardstenen waterpomp omstreeks 1790

Na de Franse tijd, omstreeks 1815 is het stadhuis opnieuw grondig opgeknapt.
Met de klassiek ogende voorgevel zag het stadhuis er indrukwekkend uit. Dit voorfront werd gedragen door vier hardstenen Toscaanse zuilen, op een zwaar basement. Het hoofdgestel was meer geënt op de Dorische orde met een fries, dat was versierd met trigliefen, tien aan de voorzijde, drie aan de zijkanten; daartussen vlakke, onbewerkte metopen. In het fronton was een reliëf aangebracht, voorstellende twee vleugels met daartussen de wijzerplaat van de klok. De betekenis en de symboliek hiervan liggen voor de hand: tempus fugit, of wel: de tijd vliegt, de tijd ontvlucht ons.
In het fries was aanvankelijk het rijkswapen aangebracht; dit is omstreeks 1905, waarschijnlijk wegens slijtage, verwijderd en niet meer teruggebracht. 
Tussen de zuilen was een balustrade aangebracht van kruikvormige balusters in een Louis XIV-stijl, met daarachter een verhoogd bordes. In het midden van de noordgevel zat de dubbele voordeur met daarboven een boogvenster, aan weerszijden geflankeerd door raamkozijnen, verdeeld in kleine vierkante ruitjes. Het schilddak was aan de noordkant bekroond met een dakruiter met daarop een windwijzer.


Het oude stadhuis in volle glorie; ca. 1935

Zo indrukwekkend als het stadhuis er met zijn klassieke allure van buiten uitzag, zo pover was het binnenin. Achter de voordeur was een hal met links een klein vertrek met een loket. Aan de rechterzijde kwam de hal uit op een gang, die leidde naar de kamer van de burgemeester en, via een trapje van enkele treden, naar de gemeentesecretarie. Een hekje in de secretarie scheidde het publiek van de gemeentelijke functionarissen. De secretarieruimte diende tevens als raadszaal en als trouwzaal. Het interieur van het hele stadhuis was uiterst sober.
Na 1900 was het gebouw als bestuurscentrum eigenlijk te klein en te weinig functioneel geworden maar door de armoedige omstandigheden in Westkapelle, waarvan ook de gemeente te lijden had, moest men zich daarmee behelpen. In de jaren 1938-1939 kwamen er toch voorbereidingen voor een nieuw, moderner gemeentehuis. Een locatie daarvoor vond men op de hoek van de Zuidstraat en ’t Baantje, nu de Utrechtsestraat. Het hier staande pand werd door de gemeente aangekocht voor ƒ 4000. De architect Roosenburg uit Den Haag maakte in opdracht van de gemeente een ontwerp voor een nieuw raadhuis op deze locatie. Maar zes weken nadat de koopakte was gepasseerd brak de oorlog uit, waardoor van de bouw van het nieuwe gemeentehuis voorlopig niets kon komen. Het ontwerp wordt bewaard in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam.


Ontwerp voor een nieuw raadhuis in 1939

Gedurende de oorlogsjaren bleef het oude stadhuis dienst doen als centrum van het burgerlijke en militaire gezag, nu dat van de bezetters. Geld voor onderhoud was er toen wel. In de secretarieruimte werd aan de zijde van de Kloosterstraat een raam gemaakt. In 1943 pikten de Duitsers de klok (niet het uurwerk) in.
Bij het bombardement van 3 oktober 1944 liep het stadhuis betrekkelijk weinig schade op. Ook bij de volgende bombardementen in die maand bleef het gebouw nog redelijk intact. Maar omdat vrijwel alle inwoners waren vertrokken en vanwege het instromende water besloot men om ook de secretarie naar veiliger oorden over te brengen, Het noodzakelijke meubilair, het archief en de registers van bevolking en de burgerlijke stand werden meegenomen.
Maar tijdens de geallieerde landing op 1 november 1944 kwam toch het definitieve einde van het eeuwenoude stadhuis doordat het getroffen werd door een of meer vanuit zee afgeschoten granaten.
Resten van het stadhuis, o.a. delen van de hardstenen zuilen, zijn hergebruikt in de fundering van de muziektent en ook later als sierpaaltjes op het marktplein. Nog steeds doen de basementblokken van de zuilen dienst als toegangspoort tot de burgemeesterswoning aan de De Casembrootstraat.

Gemeentelijke huisvesting na de bevrijding

In de jaren 1944-1945 zetelde het gemeentelijk apparaat noodgedwongen in een buurgemeente, eerst in Serooskerke, later in de villa Duinenburg in Domburg. Maar al een maand nadat de dijk gedicht was, kwam een noodvoorziening in Westkapelle zelf beschikbaar. Op 12 november 1945 verhuisde “de gemeente” naar een zgn. Zwitserse barak, staande ongeveer waar nu de splitsing Koestraat-Benoordenhoutseweg is. Het gemeentelijk adres: Bureau barak Noordervroon.
Evenals in het oude stadhuis moest men ook in deze barak woekeren met de ruimte. De burgemeesterskamer was tevens raadszaal en hier werden ook de huwelijken voltrokken. Alle ambtenaren zaten bij elkaar in één ruimte. In dit noodgebouw werden ook de voorbereidingen getroffen voor een nieuw gemeentehuis in het dorp.
In de eerste wederopbouwplannen hadden de ontwerpers het gemeentehuis gedacht aan het einde van de Zuidstraat, vlak bij de zeedijk. Maar uiteindelijk werd besloten een marktplein te creëren door verbreding van de Zuidstraat en hier ook een plaats in te ruimen voor het gemeentehuis. Over de plaats en de wijze van uitvoering is langdurig gedelibereerd en het lijkt erop, dat het uiteindelijke besluit toch een soort noodgreep was. Want bij de bouw van het nieuwe café ’t Koffiehuis enige jaren eerder zal men toch niet bevroed hebben dat dit bijna letterlijk zou worden weggedrukt door het gemeentehuis. De ruimte was ook beperkt, want een erf kreeg het gemeentehuis niet en er was nauwelijks ruimte voor uitbreiding.


Het nieuwe gemeentehuis

Hoe dan ook, de Markt kwam er, en werd aan de westzijde afgerond door een modern, zakelijk gemeentehuis.
Dit nieuwe gemeentehuis werd ontworpen door de architect D. Roosenburg uit Den Haag, die ook betrokken was bij het wederopbouwplan voor het dorp. In februari 1953 werd de bouw aanbesteed en voor ƒ 118.200 (excl. CV. en verlichting) opgedragen aan het aannemersbedrijf Boersma uit Den Haag. Minder dan een jaar later, op 26 januari 1954 kon het gebouw door de gemeentelijke dienst in gebruik worden genomen. De officiële opening was op 24 april 1954 door de Commissaris van de Koningin, de voormalige burgemeester van Westkapelle, A.F.C. de Casembroot.
In de stijl van het wederopgebouwde Westkapelle, werd het een gebouw van rode baksteen en een rood pannendak. Op het noordelijk dakvlak staat een open torentje. Het onderste deel daarvan bestaat uit gemetselde penanten met daarop een met pannen gedekt zadeldak van ongelijke dakvlakken. Dit is een kleinere, dwars daarop geplaatste herhaling van het dak van het hoofdgebouw. Op deze onderbouw staat een opengewerkte spits, met aanvankelijk een klok. De klok is, omdat die door de open constructie nauwelijks afleesbaar was, in 1965 verplaatst naar de kerk.


Het gemeentehuis eind 1953, vlak voor de oplevering

De voordeur is geplaatst in de oostgevel, in een portiek met hardstenen hoeken. Deze ingang is te bereiken door het beklimmen van een ruim twee meter hoog met natuursteen geplaveid bordes. De (vroegere) burgemeesterskamer aan de westzijde van het gebouw heeft aan de Zuidstraatzijde een in het oog springende erker. Het gebouw heeft als markante details verder een hoge, deels  in het bordes geïntegreerde, hardstenen zuil met daarop een zeemeermin die het gemeentewapen presenteert. Op het torentje staat een windwijzer in de vorm van een Vikingschip. Aan de westgevel was op een sokkel aanvankelijk een zandstenen leeuw geplaatst, die afkomstig was van de topgevel van de in de oorlog verwoeste openbare school. In een achtkantig bovenvenster in de oostgevel zit sinds 1960 een gebrandschilderd raam, voorstellende een dijkwerker bezig met steenzetten, ontworpen door de Middelburgse kunstschilder-glazenier Andries Minderhoud. Onderaan in de oostgevel zit een gedenksteen voor het oorlogsleed, op 26 juni 1954 onthuld door de Engelse rear-admiral A.F. Pugsley, in 1944 commandant van de landingstroepen.


Herdenkingssteen in de oostgevel van het gemeentehuis

Onder het bordes bevond zich aanvankelijk een van binnenuit bereikbare cel, bedoeld voor het kortstondig interneren van verstoorders van de openbare orde en verdachten van openbare dronkenschap. Aan de westkant van het gebouw was tot in de jaren zeventig een ruimte ingericht als brandweergarage met de ingang tegenover ’t Koffiehuis.
De hal, de secretarie en de burgemeesterskamer bevonden zich op de hoogte van het bordes, dus enkele meters boven het maaiveld. In een hoek van de secretarie was een archiefruimte met een oude gietijzeren brandkast, die nog afkomstig was uit het verwoeste stadhuis. Deze brandkast is mogelijk nog ergens in een gemeenteloods aanwezig.
Op de bovenverdieping was de klassiek ingerichte raadszaal annex trouwzaal met wanden van schoon metselwerk, een eiken parketvloer en een publieke tribune. Op de balustrade daarvan waren de uit hout gesneden wapens van Westkapelle, Zeeland en het Waterschap Walcheren bevestigd. Naast de raadzaal was een commissiekamer, later in gebruik als kantoorruimte.
In het souterrain was een kluisruimte voor het oud-archief, de cv-ruimte, een kantoorkamer en, zoals gezegd ook een cel en de brandweergarage.
Zo’n dertig jaar kon de gemeente met dit moderne stadhuis “vooruit”. Maar toen werd het door de ook in Westkapelle uitdijende overheidstaken te klein voor de daar zetelende bestuurders en ambtenaren.
In 1985-1986 werd aan de westzijde een stuk aangebouwd en werd het gebouw ook inwendig aangepast, waardoor er meer werk- en vergaderruimte kwam. De burgemeester verhuisde naar het nieuwe gedeelte en de oude burgemeesterskamer werd bij de secretarie getrokken. Het gebouw werd toegankelijk voor rolstoelen; de secretarie en de raadszaal werden vanaf de begane grond met een lift bereikbaar.


Schetsontwerp van de uitbreiding in 1985

Helemaal probleemloos was de uitbreiding niet. De architectonische verhoudingen werden er nogal door verstoord en de Papestraat werd eigenlijk te smal. Aan de eigenaar van hotel De Valk moest daardoor  een schadevergoeding worden toegekend. De zandstenen leeuw, intussen ook sterk aantast door de zoute lucht, verdween van de westgevel en verhuisde naar binnen. Deze leeuw bevindt zich nu in het Polderhuis.
Gedurende de verbouwing was de gemeentelijke dienst gehuisvest in een tijdelijke unit, die op de Markt voor het verenigingsgebouw was geplaatst. Eind mei 1986 kon het uitgebreide gemeentehuis in gebruik worden genomen.


Na het einde van Westkapelle als zelfstandige gemeente

Op 1 januari 1997 hield Westkapelle op te bestaan als zelfstandige gemeente en werd het opgenomen in de gemeente Veere. Westkapelle werd niet gekozen als bestuurszetel en het gemeentehuis verloor zijn functie. Aanvankelijk bleef het gebouw in gebruik als kantoorruimte voor enkele gemeentelijke afdelingen. Hiervoor moest de publieke tribune uit de raadszaal verdwijnen. Op 1 januari 2000 kwam het nieuwe Veerse gemeentehuis in Domburg in gebruik en kwam het gemeentehuis van Westkapelle leeg te staan.
Het gebouw werd in april 2000 publiek verkocht voor ƒ 690.000 en na enkele maanden van onduidelijkheid vestigde zich een judoschool in het gebouw. Dit werd geen succes en sedert 2007 is het ooit zo trotse “stadhuis” in gebruik als woning.


Het voormalige gemeentehuis in 2013

Voor afbeeldingen van stadhuis en omgeving in de loop van de tijd, zie Beeldbank Westkapelle

Geplaatst: 27-4-2013; gew. 26-11-2013; aangevuld 23-10-2014; aangevuld 28-9-2017