Het Kasteel van Batavia

Een roemruchte Westkappelse herberg in de loop van de eeuwen

Het veelbezongen Kleine Café aan de Haven zul je in Westkapelle niet vinden, maar wie maalt daarom als je “Het Kasteel” hebt. Het “Kasteel van Batavia”  een befaamd en wijd en zijd bekend etablissement onder aan de dijk, op een markante plaats en met een lange, aansprekende historie. Het heeft een opmerkelijke naam die je direct associeert met rijkbeladen  Oostindiëvaarders uit de Gouden Eeuw. Want het echte Kasteel van Batavia was eertijds een fort van de Verenigde Oostindische Compagnie in de stad die nu Jakarta heet, het machtscentrum van het Nederlandse koloniale rijk. Was het Kasteel van Westkapelle misschien ooit een steunpunt van de Zeeuwse Kamer van de VOC ?


Gezicht op Batavia met zijn kasteel in de 17e eeuw

Toch is het huidige café op zichzelf beschouwd nog helemaal niet zo oud, al is het is wel nauw met de cultuur en de cultuurgeschiedenis van Westkapelle verbonden. Het verrees pas in 1950 als herbouw van het in 1944 verwoeste café dat ongeveer 60 meter zuidelijker stond. Door de noodzakelijke verandering in het tracé van de dijk was herbouw op de oorspronkelijke plaats jammer genoeg niet meer mogelijk.
Maar de historie van de herberg aan de dijk gaat terug tot de 17e eeuw en mogelijk nog eerder.
Uit de nog beschikbare bronnen van het gerechtelijk archief van Westkapelle, is door de schrijvers van de genealogie van het geslacht Minderhoud uitgezocht dat het vooroorlogse  (maar toen nog naamloze) pand al in 1633 in gebruik was als herberg en tot 1671 in het bezit was van vroege telgen uit die Westkappelse familie.
Over de periode van 1671 tot 1724 is van de herberg niet veel bekend. In 1724 is het pand in het bezit van een zijtak van de Minderhoud-familie. In dat jaar koopt Adriaan Sohier de herberg uit de boedel van zijn overleden schoonouders, Jacob Johannes Ingelse en Leuntje Cornelisse Moens. Deze Leuntje Moens was eerst getrouwd geweest met Adriaan de Lapper of Minderhoud, wiens moeder eigenaresse was geweest van de herberg. Jacob Johannes Ingelse was jaren burgemeester van Westkapelle en werd ook wel Kapitein Ingelse genoemd. Waarschijnlijk was hij niet zelf de kastelein maar verhuurde hij de herberg. Dat gold ook voor de nieuwe eigenaar Adriaan Sohier want die  was Commies van de Noordwatering van de Polder Walcheren.
De herberg wordt opnieuw verkocht in 1738. In de akte van transport van die verkoop wordt de herberg, nog steeds zonder naam, omschreven als “een huis met zijn keuken, kamers, backete, schuur, stalling en erf staande aan de Oude Markt”, gevolgd door nog nadere plaatsaanduidingen van de ligging van het pand. Een zekere Arnoldus Plomp koopt de herberg dan van Adriaan Sohier en hij leent hiervoor geld van de Ambachtsheer van Westkapelle, Martinus Johan Veth. In de koopakte ontbreekt niet alleen een naam maar ook wordt er niet eens gerept over een herberg. Alleen in de hypotheekakte wordt aan de bovenstaande omschrijving van het pand toegevoegd “ zijnde ene herberg ”.

Wie was nu eigenlijk die Arnoldus Plomp, de nieuwe eigenaar van de naamloze herberg ?
Hij was in 1729 in Westkapelle komen wonen en aangesteld als chirurgijn van de stad. De plaatselijke huisarts, zou je nu zeggen. Hij werd in datzelfde jaar Poorter, d.w.z. officiële burger van de stad en hij kocht een huis aan de noordkant van de Oude Markt. Hij was in 1723 in Dordrecht getrouwd met zijn nicht Margarieta Plomp en had tot 1729 een chirurgijnpraktijk in Alblasserdam. Daar waren ook twee kinderen geboren. In 1729 komt hij dan, na nog kort in Middelburg gewoond te hebben, naar Westkapelle. Hier wordt rond 1730 zijn derde kind geboren: Jan of ook wel Johannes Plomp genaamd.
In 1734 laten Arnoldus Plomp en zijn vrouw door de secretaris van Westkapelle een testament opstellen, waarin o.a. de wijze woorden zijn opgenomen, dat niets zo zeker is dan dat iemand ooit sterft, maar dat ook niets zo onzeker is als het tijdstip waarop dit gebeurt. Ook de aanleiding voor het opstellen van dat testament wordt erin vermeld. Arnoldus Plomp stond namelijk op het punt om met een VOC-schip naar Oost-Indië te vertrekken en hij zou zijn vrouw en kinderen in Westkapelle achterlaten.
Uit het archief van de VOC blijkt dat Arnoldus Plomp op 9 november 1734 als Oppermeester in dienst van de VOC met de “Nieuw Walcheren” naar de oost is vertrokken. Wanneer hij precies is teruggekomen is niet duidelijk, maar in ieder geval was hij er weer in 1738 want toen kocht hij zijn herberg van Adriaan Sohier. Bij die koop ruilt hij zijn in 1729 gekochte woning in bij Sohier. Plomp en zijn vrouw worden herbergiers, al geeft hij het zeemans- en koloniale leven daarbij niet helemaal op. Uit een publicatie over de familie Plomp blijkt dat Arnoldus tussen 1722 en 1747 tenminste vier keer in dienst van de VOC naar Indië is gereisd.
In 1747 komt Arnoldus Plomp te overlijden. Zijn vrouw Margarieta verschijnt in dat jaar voor de weeskamer van Westkapelle om de voogdij over haar drie minderjarige kinderen te regelen. Zij blijft na de dood van haar man de herberg exploiteren en hertrouwt later met Roeland Leunisse Roelse.
De zoon Jan alias Johannes Plomp zou volgens dezelfde publicatie over de familie Plomp tussen 1741 en 1755 ook vier keer voor periodes van 15 tot 27 maanden in dienst van de VOC naar Oost-Indië zijn geweest, de laatste twee keer als medisch verzorger. Ook hij had schijnbaar verstand van medicijnen. Hij trouwde met Maria Meertens, afkomstig uit Middelburg en hij heeft ook enige tijd in Middelburg gewoond.
Jan/Johannis Plomp koopt in 1768 de herberg van zijn moeder Margarieta Plomp en haar man Roeland Leunisse Roelse. In de koopakte is dan voor het eerste sprake van de naam “Casteel van Batavia”. De nieuwe eigenaar gaat samen met zijn vrouw deze herberg ook zelf uitbaten en hij wordt vanaf die tijd aangemerkt als herbergier in Westkapelle.

Ergens in de periode van het kasteleinschap van Arnoldus en Jan Plomp, tussen 1738 en 1768, heeft de herberg aan de Oude Markt dus de naam “Casteel van Batavia” gekregen. Kennelijk waren de herbergiers Arnoldus en Jan door hun reizen voor de VOC zo gefascineerd door en verbonden geraakt met de “Gordel van Smaragd” dat zij daarvan thuis in de naam van hun herberg blijk wilden geven.

Jan/Johannis Plomp is voor het einde van het jaar 1781 reeds overleden; zijn vrouw blijft de herberg voorzetten en zij hertrouwt in 1783 met Evert Christiaan Melling.
In 1791 wordt hun schoonzoon Bart Dikstaal de nieuwe eigenaar van Het Casteel van Batavia. Bart was op dat moment Wachtmeester in het Regiment van de Prins van Hessen Philipsdal, in het Guarnisoen in ’s Hertogenbosch. Hij was eind 1781 getrouwd met Margarieta Plomp, de oudste dochter van Jan/Johannes Plomp en Maria Meertens.
Evert Christiaan Melling, werd na de verkoop van de herberg aan zijn schoonzoon, om in zijn onderhoud te voorzien, op zijn oude dag nog schoenmaker in Westkapelle.

Bart Dikstaal en Margarieta Plomp hebben niet lang in Het Casteel van Batavia gezeten.
Wel hebben ze nog meegemaakt dat in hun herberg, in de zogenaamde Sociëteitskamer de Bataafse Revolutie van 1795 feestelijk werd gevierd. Hier was ook het souper en het bal ter gelegenheid van het planten van de vrijheidsboom, enkele maanden later. Deze Sociëteitskamer is waarschijnlijk de zuidoostelijke ruimte van de herberg, die later bekend was onder de naam “Scheepskamer” ( = Schepenenkamer?).
In 1796 verkopen zij de herberg aan George Willem Thiel (1761-1838) die op het punt stond te trouwen met Katharina van Sighem. George Willem Thiel wordt in 1797, dus na de Bataafse omwenteling, genoemd als lid van de Raad van Westkapelle. Met zo’n patriot als kasteelheer zal niet langer meer de VOC de boventoon hebben gevoerd, maar “vrijheid, gelijkheid en broederschap”. Het echtpaar Thiel-van Sighem exploiteert Het Kasteel van Batavia tot het voorjaar van 1817, grofweg dus gedurende de Franse tijd. Toen verkochten ze het aan Jan Kwekkeboom, die getrouwd was met Neeltje Hengst. Kwekkeboom was voor die tijd al herbergier in Brigdamme.
Ook George Willem Thiel kon van wat Het Kasteel hem had opgebracht alleen niet leven want om in het onderhoud van hemzelf en zijn vrouw te voorzien werd hij kleermaker.

Jan Kwekkeboom (1793-1852) en Neeltje Hengst hadden een kinderrijk gezin en dreven Het Kasteel tot 1843. Jan Kwekkeboom was tevens kleermaker en landbouwer en had ook nog wat percelen land in eigendom om te beboeren. Kwekkeboom had voor de aankoop van de herberg in 1817 geld geleend van de familie Swaan uit Middelburg, maar waarschijnlijk rendeerde de zaak niet zou goed. De veertiger jaren van de 19e eeuw waren voor Westkapelle een zeer slechte tijd met veel armoede en werkloosheid. In 1842 moest Kwekkeboom zijn land verkopen om aan zijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen. In 1843 lukte het weer niet om zijn jaarlijkse rente te betalen en werd hij daardoor gedwongen zijn schuldeiser te machtigen het Kasteel van Batavia openbaar te verkopen. Eind 1843 werd het Kasteel openbaar geveild. De schuldeiser Jacobus Cornelis Swaan, winkelier in Middelburg was zelf de hoogste inschrijver voor een bedrag van 4007,00 gulden maar er kwam geen bod bovenop zodat hij zelf eigenaar van Het Kasteel van Batavia werd. Kwekkeboom moest per 1 december 1843 het Kasteel verlaten en Swaan verhuurde vanaf die tijd de herberg aan Huibregt Minderhoud (1813-1900), die  getrouwd was met Johanna Roelse. Na het overlijden van Johanna Roelse in 1846 hertrouwde hij met Abigaël Houmes (1824-1899). Deze nieuwe zetbaas kon schijnbaar ook niet alleen van de herberg leven want als beroep wordt in één adem landbouwer, schoenmaker en herbergier opgegeven.
Het zal deze vrouw, Abigaël Houmes, geweest zijn die Charles de Coster en zijn metgezel op hun reis door Zeeland in 1875 in het Kasteel van Batavia als kasteleinsvrouw aantroffen.
In hun reisverhaal “Zeeland door de bril van 1875”  lezen we hierover:

Het Kasteel van Batavia. We gaan er binnen. Achterin de zaal van de herberg staat de kasteleinse, zoals hier de vlaamse baezinne heet, een forse vrouw. Men zou denken dat zij zo uit een schilderij van Jan Steen is gestapt. Vijftig jaar, met levendige zwarte ogen, een grote lachende mond, een klein hoofd, een kort bovenlichaam, goed in het vlees en met lange ledematen en een rok waaraan geen eind schijnt te komen omdat zij zulke lange benen moet hebben.
“Hebt u een stukje vlees voor ons ?”
“Neen.”
“Wat heeft u dan wel ?”
“Zacht gekookte eieren.
“Goed,”
“En daarna een omelet en sla”.
“Goed. En hebt u wijn ?’
“Ja.”
“Mooi zo. Duur ?”
“Neen”.
We waren vrolijk en we maakten gekheid. Vriendelijke nieuwsgierige gezichten kwamen naar ons kijken. We waren weldra klaar met de maaltijd. We prakten de zachte eieren en de bloemige aardappelen, goten er boter over, voegden er een paar flinke lepels mosterd aan toe en mengden het geheel door elkaar. Het leek ons een uitgezochte maaltijd.
De kasteleinse zag ons dit mengsel gereed maken en zag ons gulzig eten en lachen, en vond het allemaal naar genoegen. Ze lachte met ons mee en wij lachten met haar mee. Het was onschuldig en beschaafd.
“De heren doen helemaal niet uit de hoogte”, zei ze.
Ze was even tevreden over ons als wij over haar. Ze vond ons “flinke venten”.Het volk veracht hier, evenals elders hautain gedrag en koele, afgemeten manieren.
De volgende morgen stonden we om zes uur op en bezochten de dijk, in afwachting van de thee.

Binnen de familie Swaan ging het eigendomsrecht via vererving over gedeeltelijk op Willem Leenhouts, getrouwd met de weduwe van Jacobus Cornelis Swaan en op Pieter Meertens, getrouwd met de dochter Helena Jacomina Swaan en op Francois Johan Mathias Boudrez getrouwd met de dochter Petronella Robertina Swaan.
Na het overlijden van Willem Leenhouts in 1881 ging het gehele eigendom over op Pieter Meertens en Helena Jacomina Swaan. Deze lieten omstreeks 1882 het huis en een schuur in noordelijke richting achter de herberg gedeeltelijk her- en bijbouwen waardoor het pand waarschijnlijk de gedaante kreeg die tot 1944 heeft bestaan.


Het Kasteel zoals het er tussen 1882 en 1930 uitzag

Het Kasteel van Batavia was niet alleen een herberg maar ook een “Uitspanning” waarvoor de grote schuur ook uitgerust was met stallen en plaatsen voor rijtuigen.
Als in het eerste kwart van de 20e eeuw het circus Van Beveren Westkapelle aandeed,  maakte dat ook altijd gebruik van de faciliteiten van het Kasteel.
Gedurende de 19e en ook een groot deel van de 20e eeuw was het Kasteel van Batavia een trefpunt voor het sociale leven in Westkapelle. De dijkwerkers hadden hier hun samenkomsten. Iedere “bende” had een eigen tafel en de mannen ontvingen hier aan het einde van hun werkweek hun zwaar verdiende loon (en niet zelden gaven ze het hier ook weer grotendeels uit).
En natuurlijk is de herberg tot op de dag van vandaag de thuishaven van de Gaaischieters en het centrum van de kermisviering.

Toen Huibregt Minderhoud en zijn vrouw ouder werden, kwamen in de zomer van 1875 Aarnout Minderhoud (1839-1890) en zijn vrouw Jakoba Minderhoud (1839-1926) als huurders in Het Kasteel. Aarnout overleed al in 1890 en zijn vrouw Jakoba bleef met behulp van haar zoon Hendrik Minderhoud (1875-1936), bekend als Eine van Ko, de herberg voortzetten.
Eine van Ko, toen nog vrijgezel, kocht in 1907 de herberg van de toenmalige eigenaar Karel Meertens, zoon van Pieter Meertens en Helena Jacomina Swaan. In 1911 trouwde Eine van Ko met Neeltje Huibregtse maar het huwelijk bleef kinderloos.

Hoewel er nog weinig toerisme in Westkapelle was kwamen er zo nu en dan wat personen in het dorp die hier toch wel wilden overnachten. Zo verbleef de kunstenaar Denis Galloway in 1918 schijnbaar zolang in het Kasteel van Batavia dat hij in de hoofdelijke omslag (Inning van belasting) van Westkapelle over dat jaar opgenomen is wonende op het adres van het Kasteel van Batavia.
Eine van Ko verkocht de herberg in 1929 aan een neef van zijn vrouw, Kornelis Huibregtse en zijn vrouw Jakomina Minderhoud.

Kornelis Huibregtse (1891-1976), in Westkapelle beter bekend als Kees Doos, liet kort nadat hij in 1929 eigenaar was geworden, de oude herberg slopen en een geheel nieuw café bouwen. Het nieuwe pand werd uitgerust met kamers boven en bleef dus zijn herbergfunctie houden. Volgens het opschrift boven de ingang van de nieuwe zaak was het een Hotel Café.


Het Kasteel na de verbouwing van 1930

Een paar jaar later werd de zogenaamde Scheepskamer, een nog overgebleven deel van de oude herberg, verbouwd tot woonhuis voor de eigenaar.

Dit nog betrekkelijk nieuwe bouwwerk werd op 3 oktober 1944 door het bombardement op Westkapelle totaal verwoest. Het einde van een lange geschiedenis en traditie ? Het leek er wel op, maar met dezelfde wilskracht als waarmee heel Westkapelle weer werd herbouwd, liet Kees Doos ook Het Kasteel van Batavia herbouwen. Nu iets noordelijker maar wel weer bij de entree van het dorp vanaf de dijk. Ook nu werd het pand weer gebouwd met kamers boven en dus geschikt voor overnachtingen. Mei 1950 werd dit nieuwe Kasteel van Batavia weer door Kees Doos in bedrijf genomen.


Het na de oorlog herbouwde Kasteel van Batavia, ca. 1950

Door de uitvoering van de Deltawet, in de jaren vijftig en zestig, hing het voortbestaan van het Kasteel opnieuw aan een zijden draad. Het zou volgens plan plaats moeten maken voor de verzwaring van de dijk. Bij de werkzaamheden in de jaren 1986-1988 koos men er uiteindelijk voor om de dijk om het café heen te leggen.
En zo staat het er anno 2010 dus nog, al is het wel een paar keer ingrijpend verbouwd en staat het naar verluidt weer voor een grote renovatie. Ook volgden de herbergiers zich in versneld tempo op.
Kees Doos verhuurde het café vanaf mei 1956 aan zijn zoon Adriaan Huibregtse (1912-1961), Arjôôn Doos genoemd. Na het overlijden van Adriaan in 1961 bleef zijn vrouw Adriana Gabriëlse (1915-1998), alias Jôône van Jan Piet, de zaak nog korte tijd voortzetten, waarna zij een slijterij begon aan de Koudorpstraat.
In het Kasteel werd zij met ingang van mei 1962 opgevolgd door Jan Lievense (1934-1996), kleinzoon van de eigenaar Kees Doos en zelf ook Jantje Doos genoemd. Vier jaar later, in 1966 kocht Jan Doos het café van zijn grootvader.
Samen met zijn vrouw Adriana Verstraate stond Jan Lievense “achter d’n tôôg” tot 1976. In die tijd was het Kasteel vooral het stamcafé van de oudere Westkappelaars, maar werd het ook druk bezocht door toeristen, vooral bussen met Engelse en Belgische bezoekers van het oorlogsmonument.
Vanaf de zomer 1976 verhuurde Jan Lievense het café aan Henk Melis (*1946) uit Zoutelande. Deze zorgde er voor dat de inrichting wat eigentijdser werd waardoor ook meer jongere bezoekers werden aangetrokken.
Het Kasteel van Batavia veranderde sedertdien diverse malen van uitbater. Als opvolgers van Henk Melis kwamen achtereenvolgens de kasteelheren Adrie de Visser, Richard en Trix Sampimon, René en Jacky de Muijnck en Adrie Roelse.
Gedurende die periode was Jan Lievense nog steeds eigenaar van het Kasteel. De laatste huurder Adrie Roelse (*1969), kon rond 1996 het café van Jan Lievense overnemen en heeft het Kasteel van Batavia toen gekocht. Deze Adrie Roelse is zelfs nog een nazaat van de in het begin van dit verhaal genoemde familie Plomp. Hij bleef echter maar een paar jaar eigenaar van het Kasteel en via nog één of twee andere eigenaars heeft nu sedert het begin van de 21 eeuw de familie Mekes de touwtjes in handen. Sebastiaan Mekes heeft de zaak ambitieus aangepakt. Hij breidde het café uit met een restaurantzaal en heeft nog verdere vernieuwingsplannen.


Kasteelheer Sebastaan Mekes voor het kasteel in 2010


Het Kasteel van Batavia in zijn huidige vorm

Het Kasteel van Batavia, een waar cultuurmonument van Westkapelle, gaat zijn vijfde eeuw in met hernieuwde vitaliteit en het is nog steeds in trek bij het uitgaanspubliek, jong en oud. En met een naam die op zichzelf al als cultureel erfgoed mag gelden

Oktober 2010; gew. 25-11-2013

Verhaal gebaseerd op archiefonderzoek verricht door Ko Gabriëlse.