Het Grôôt  'Ôôd of Zuiderhoofd


Het Zuiderhoofd in 2013; foto Jan de Jonge

Plankiershoofd is de naam die je op oude waterstaatkundige tekeningen aantreft, Zuiderhoofd is de officiële naam op recente geografische kaarten, maar in Westkapelle heet dit paalhoofd ’t Grôôt 'Ôôd.
Het paalhoofd heeft een loopplankier en kan bij kalm weer redelijk veilig betreden worden. De werking van de zee heeft echter een grote invloed op de onderhoudstoestand van het loopplankier wat daarom regelmatig en goed onderhouden moet worden.
Het paalhoofd is een geliefde plaats voor de bevolking van Westkapelle om te vissen en te gebruiken bij het zwemmen en andere waterrecreatie. Ook voor sportvissers van elders en recreanten is het een bekende plaats.
De renovatie van het paalhoofd was op de dag van de officiële opening nog niet helemaal  klaar. Alle paalkoppen die geen originele gietijzeren muts meer hadden, zouden nog een nieuwe ijzeren muts krijgen en daarom werd er nog gewacht met het plaatsen van de reling. In het najaar van 2011 is ook deze klus geklaard.

Het Grôôt 'Ôôd in de huidige vorm is gebouwd in 1906/1907 en heeft in de loop van de jaren al een aantal renovaties ondergaan. Voor de laatste renovatie stond er al enkele jaren  een bord ”Verboden te betreden” bij de opgang omdat door losliggende planken en gordingen en dergelijke het plankier door de gemeente Veere als onveilig was beoordeeld.

Voorgangers

't Grôôt 'Ôôd is niet het eerste grote paalhoofd op deze plaats. Voor de bouw ervan stond in de directe nabijheid al een robuust  Plankiershoofd en in de tijd dààrvoor stonden er extra lange paalhoofden om de duin- en strandaansluiting op de zeedijk ter plaatse te beschermen.

Op de nauwkeurige landmeetkundige kaart van de gebroeders Hattinga uit 1754 staat op de plaats waar de hoge duinen aan de zuidkant van de dijk beginnen een in zuidwaartse richting gebouwd strandpaalhoofd met de naam Cassiershoofd.
Op de eveneens nauwkeurige kaart van J. Massol uit 1761 staat een in zuidwestelijke  richting gebouwd paalhoofd wat ook de naam Cassiershoofd heeft met de vermelding erbij van een berm in zuidwaartse richting van het Oude Cassiershoofd.
Op de eerste kadastrale kaart van Westkapelle uit 1818 staat het Cassiershoofd in zuidwestelijke richting met halverwege een zuidwaartse uitbreiding, waardoor een  paalhoofd in de vorm van een Y is ontstaan. Dit typische Y-vormige paalhoofd staat ook nog aangegeven op een kaart van de kust van Walcheren uit 1828.

Geschiedenis

In het begin van de 19e eeuw was onder de waterbouwkundigen een discussie ontstaan over het nut van strandpaalhoofden voor het behoud van de stranden. Deze discussie was begonnen in de Franse tijd (1795-1813) toen er schaarste aan materialen en aan financiële middelen was om de kust waterbouwkundig te verdedigen. Door de komst van de paalworm in het midden van de 18e eeuw aan de Nederlandse kust, meegebracht door de VOC schepen uit de tropische streken, was het onderhoud aan paalhoofden en staketwerken erg duur geworden. De meestal eikehouten palen moesten allemaal met kopspijkers beslagen worden om ze te beschermen tegen de paalwormen.

De Zeeuwse waterbouwkundige Andries Schraver schreef in 1808 een uiteenzetting over strandverdediging met stenen bermen in plaats van paalhoofden. Samen met zijn leerling en assistent, de Westkappelaar Abraham Caland (zie onder Kunst en Wetenschap) stelde hij voor de palen van paalhoofden in te korten door er een gedeelte van af te zagen. Deze theorie kreeg bijval en als eerste werd een aantal paalhoofden recht voor Domburg afgezaagd.
In 1814 schreef de inmiddels 25 jarige waterbouwkundige Abraham Caland een verhandeling over het nut van de afgezaagde paalhoofden waarmee hij erg bekend werd.
Niet alle deskundigen stonden echter achter deze theorie en met name de Oppercommies van de Polder Walcheren, Abraham Dingmans, vond dat er te voortvarend te werk gegaan werd met het afzagen van paalhoofden. Hij werd echter door Andries Schraver de mond gesnoerd omdat hij niet open zou staan voor nieuwe ideeën. Tot ongeveer 1830 werden op bepaalde plaatsen paalhoofden afgezaagd maar op den duur bleek de praktijk toch anders uit te pakken dan de theorie. Na 1840 twijfelde men openlijk aan het nut van de afgezaagde paalhoofden en vanaf 1855 verschenen er weer nieuwe strandpaalhoofden aan de kust van Walcheren.
In het boek “1000 jaar Walcheren”, uitgegeven door Het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in 1996 wordt dit afzagen van paalhoofden uitgebreid behandeld.

Abraham Caland (* Westkapelle, 1789 ; † Middelburg, 1869)

In 1854 was Abraham Caland na zijn pensionering bij de Rijkswaterstaat, als zeer bekende waterbouwkundige nog president van de Polder Walcheren geworden. Toen onder zijn leiding in het jaarverslag over het jaar 1856 het voorstel kwam om aan het zuideinde van de Westkappelse Zeedijk een nieuw paalhoofd te bouwen ter vervanging van het Cassiershoofd, zagen critici dat als het  terugkomen van zijn theorieën over het afzagen van paalhoofden waarmee hij destijds zo bekend was geworden.
Het nieuwe paalhoofd werd noodzakelijk geacht om het strandverlies bij de aansluiting van de duinen aan de dijk tegen te gaan. Het nieuwe paalhoofd zou tevens als aanvoerplaats voor dijkmaterialen gebruikt gaan worden, een extra argument gebruikt om de noodzaak er van te onderbouwen. Het paalhoofd zou hiervoor extra zwaar worden uitgevoerd en voorzien worden van een vast plankier. Hierdoor kreeg het paalhoofd niet meer de naam Cassiershoofd  maar werd het Plankiershoofd genoemd.
Het nieuwe paalhoofd blijft niet onvermeld in de jaarverslagen van de Polder Walcheren in die tijd.
In het verslag over het jaar 1856 staat dat er plannen zijn voor het verbeteren van de situatie van de overgang van zeedijk naar duin aan de zuidzijde van de dijk. Deze plannen zijn nog in een dusdanig stadium dat ze mondeling aan de Algemene vergadering meegedeeld zullen worden. Fondsen voor het uitvoeren van deze plannen ontbreken nog.
In het verslag het jaar 1857 staat dat er in de begroting voor het jaar 1858 is opgenomen een nieuw open paalhoofd, lang 64 meter uit 3 rijen palen bestaande op het zuideinde van de dijk. Dit paalhoofd zal tevens voor een losplaats van dijkmateriaal ingericht worden.
In het verslag het jaar 1858 staat dat er een nieuw open Plankiershoofd gebouwd is van 73 meter lang wat eind september 1858 gereed was.
In het verslag over het jaar 1859 staat dat het in 1858 nieuw gebouwde Plankiershoofd van 73 meter lang eigenlijk te kort is om de onderstroom ter plaatse te verminderen. Het Plankiershoofd zou om dat te verbeteren met 18 á 20 meter verlengd moeten worden.
Het voormalige dubbele Cassiershoofd was zelfs 110 meter lang.
In het verslag over het jaar 1860 staat dat de verlenging van het Plankiershoofd met 20 meter in maart 1861 aanbesteed zal worden.
In 1860 durfde, naar aanleiding van het jaarverslag over het jaar 1859, de ingeland (mede bestuurslid) Dirk Dronkers met een open brief de zeer hoog geachte president Abraham Caland te bekritiseren op zijn beleid in het algemeen en in het bijzonder op het beleid ten aanzien van de paalhoofden. Deze gedurfde baanbrekende actie leidde uiteindelijk tot meer openheid van bestuur bij de Polder Walcheren.
Volgens een tekening van dit 93 meter lange Plankiershoofd uit 1858-1861 opgenomen in een boekwerk uit 1892 dat de kust van Walcheren beschrijft bestaat het loopplankier over heel de lengte van het hoofd uit twee gedeelten gescheiden door de koppen van de palen in het midden van het paalhoofd. De breedte van het plankier tussen de buitenste rijen palen bedraagt 4,80 meter. Het loopvlak van het plankier bevind zich 1,70 meter boven het gemiddelde hoogwaterpeil.

Bouw van het huidige Grôôt ‘ôôd

Doordat dit Plankiershoofd uit 1858-1861 nog gebouwd was met eikehouten palen was het in het begin van de 20e eeuw schijnbaar dusdanig versleten, dat in het jaar 1906 besloten werd een nieuw paalhoofd te bouwen. Door de aanwezige steenstort in en rond het bestaande oude Plankiershoofd  kon dit nieuwe hoofd niet op de zelfde plaats worden gebouwd maar moest een aantal meters zuidelijker gebouwd worden.
Dit nieuwe nu nog bestaande paalhoofd werd met groenharthouten vierkante palen met behulp van een heimachine door een aannemer van buitenaf gebouwd.
Dit was een doorn in het oog van de Wasschappelse dijkwerkers. Zij zagen dit als broodroof en hadden aan dit karwei ook willen mee werken.
De verhoudingen tussen commies Bolier van de Noordwatering  en de dijkwerkers van Westkapelle was in het begin van de 20e eeuw toch al niet al te best en de uitbesteding van het werk voor het nieuwe paalhoofd had tot gevolg dat er weer een staking uitbrak.
In 1902 waren de dijkwerkers ook al in staking gegaan omdat Bolier onder andere het werktempo van de oude dijkwerkers niet meer accepteerde. Het ongenoegen over Bolier was zo groot en de gemoederen liepen zo hoog op dat er toen een keer ’s nachts door de luiken van zijn slaapkamer in het polderhuis werd geschoten.
Hierdoor kwamen een aantal marechaussees onder luitenant Tomson naar Westkapelle die het Polderhuis moesten bewaken. Burgemeester Overduin, die zelf ook bij de marechaussee gediend had, suste de gemoederen en heeft er destijds voor gezorgd dat er geen verder onderzoek naar het schietincident kwam en er dus geen arrestaties kwamen. 
Nu in 1906 weer gestaakt werd en de dijkwerkers weer met eisen kwamen en hun ongenoegen kenbaar maakten was bij het polderbestuur de boot schijnbaar aan en gaf het niet meer toe aan die eisen.
Na enige tijd moesten de dijkwerkers de staking opgeven. Direct nam het polderbestuur maatregelen, die voor de dijkwerkers zeer ongunstig uitpakten. De oproerkraaiers mochten niet meer aan de dijk werken en de overige dijkwerkers moesten allen een soort arbeidsovereenkomst tekenen. Ook mochten werkzaamheden aan de zeewering buiten het grondgebied van Westkapelle nu in het vervolg ook door de bevolking van de aanliggende dorpen gedaan worden.  
Om de werksfeer tussen de leiding en de dijkwerkers te verbeteren werd Bolier in 1908 van de Noordwatering overgeplaatst naar de Oostwatering en werd in Westkapelle een nieuwe commies aangesteld.
Doordat het werk aan het nieuwe 100 meter lange Plankiershoofd een tijdje had stil gelegen waren de werkzaamheden pas in 1907 gereed.
De oud-dijkwerker Johannes Minderhoud (Wannes van Mejanus, 1873-1965) en de karder (dijkwerker met paard en wagen) Lein Cijsouw (Lein van Miene, 1880-1965) vertelden beiden in een interview in 1964 dat de vierkante hardhouten palen van meer dan 15 meter lang over Domburg moesten worden aangevoerd. Via Zoutelande was niet mogelijk omdat de bocht bij het café van Gabriëlse (Lou van Jan van Tesse) onder aan de duinen ten zuiden van de kerk met deze palen niet kon worden gepasseerd.
Alle paalkoppen van dat nieuwe paalhoofd werden afgedekt met een gietijzeren muts. Het paalhoofd was wel aanmerkelijk smaller dan zijn voorganger. Het plankier was 2,80 meter breed tussen de palenrijen, wel weer op een hoogte van 1,70 meter boven het gemiddelde hoogwaterpeil.

Lotgevallen Grôôt ‘ôôd

In de loop van de jaren werd ’t Grôôt ‘ôôd een markante en vaste waarde op de dijk, gewaardeerd door Westkappelaars en met een nuttige functie als beschermer van dijk en duin en als aanlegsteiger voor het lossen van materialen voor de dijk en ook om loodsen aan de wal te brengen.


De omgeving van het Grôôt 'Ôôd omstreeks 1935



Recreatief gebruik van het plankier in 1938


Lossen van dijkmaterialen van een aan het Grôôt 'Ôôd afgemeerd schip; 1930

In de 2e Wereldoorlog is er veel schade ontstaan aan het Plankiershoofd. Na de oorlog is het wel door een aannemer van buiten Westkapelle hersteld. Het plankier over de gehele breedte was al in de oorlog verwijderd en werd na de oorlog niet meer aangebracht.


Gehavend door oorlogsgeweld; 1945

Zo rond 1950 werd de oorlogsschade aan het Grôôt ‘ôôd hersteld. In de plaats van het plankier over de gehele breedte werd bij de herstelwerkzaamheden in eerste instantie aan de rechterzijde van het paalhoofd een looppad gemaakt bestaande uit twee planken naast elkaar van 25 centimeter breed met een tussen ruimte van 5 centimeter. Wellicht is toen de benaming Zuiderhoofd ontstaan omdat van een Plankiershoofd geen sprake meer was.


De omgeving van het Grôôt 'Ôôd omstreeks 1935

H
Het Grôôt 'Ôôd is geen veilige plek bij zware zeegang

Met het paalhoofd in die toestand verdronk in oktober 1958 de 15-jarige Christiaan Joziasse uit Westkapelle, toen hij door een golf van de loopplank werd geslagen.
In de zestiger jaren werden nog twee planken op de zelfde manier toegevoegd aan de bestaande twee zodat een looppad van ongeveer een meter breed ontstond.
Omdat het gebruik van het paalhoofd door toeristen toenam en men de bestaande toestand onveilig achtte,werd begin jaren tachtig op kosten van de gemeente Westkapelle weer een plankier over de gehele breedte aangebracht en een railing aan de zijkanten.
Het gemoed van de romancier van het vooroorlogse Westkapelle, Krijn Faasse, schoot vol toen hij het herstelde paalhoofd aanschouwde en dat inspireerde hem tot een schoon lied:

Dih komme ‘k waarachtig
In ’t jaer twêêentachtig
In ´t zuu’en een keer over d’n diek
Toen viel toch m’n ôôge
En ’t bleef amper drôôge
Op ies, dih ‘k mee vreugde nih kiek’
Refr.:
Wan ’t Grôôt ‘ôôd is emaekt moe je wete
’t Is nog mooier a ’t ooit ei ewist
Iederêên ken toet ’t ênde noe lôôpe
En dat eh me toch jaeren  emist

(Te zingen op de wijs van Het kleine café aan de haven)

Zo’n plankier heeft bij storm veel te lijden van golven die er bovenuit komen en vergt daarom veel onderhoud. Begin negentiger jaren heeft dit plankier daarom weer op kosten van de gemeente Westkapelle een opknapbeurt ondergaan.
Na 2008 was het paalhoofd weer aan groot onderhoud toe en kwam er een bord met "Verboden te Betreden" voor de opgang van het plankier te staan.


Het Grôôt 'Ôôd in verwaarloosde toestand; 2009

De gemeente Veere, waar Westkapelle nu deel van uitmaakt, vond dat het onderhoud voor rekening van het Waterschap was. Het Waterschap op zijn beurt vond dat het paalhoofd voor de zeewering in deze tijd geen betekenis meer had en dat er daarom geen onderhoud meer aan gedaan werd.
Aan het begin van de zomer van 2010 zocht een inwoner van Westkapelle (Jaap Peene) de publiciteit door zelf wat onderhoudswerkzaamheden aan het plankier te verrichten om op die manier de onveilige situaties op te heffen. De PZC wijdde als gevolg hiervan een artikel aan de teloorgang van het Zuiderhoofd. Met de kermis van 2010 hekelden ook de Gaaischieters op satirische wijze deze schrijnende toestand.


Grôôt schrôôt, schietschijf voor de gaaischieters

Al deze publiciteit zorgde er voor dat de gemeente Veere en het Waterschap het probleem van het onderhoud van dit paalhoofd nog eens gingen bekijken. Op deze manier had een klein aantal inwoners van Westkapelle toch maar bereikt dat de twee overheden luisterden naar de wensen van de bevolking en uiteindelijk hun publieke taken op zich namen.
Het Waterschap nam de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de constructie van het paalhoofd op zich en de gemeente Veere die van het plankier. De Provincie Zeeland en het Projectbureau Zeeweringen en twee landelijke sportvissersorganisaties waren ook bereid financieel bij te dragen aan het weer veilig betreedbaar maken van het paalhoofd. Met ook nog een bijdrage uit de Europese subsidie voor Plattelandsontwikkeling kwam de financiering van deze grote onderhoudsbeurt uiteindelijk rond. Aannemer De Klerk BV uit Werkendam voerde de renovatie uit. Na reparatie van de constructie en het plankier was er zelfs nog geld voor een trap of ladder ten behoeve van de reddingsboot, een nieuwe railing  en voor ontbrekende ijzeren mutsen op de koppen van de palen. Deze laatste restauratiewerkzaamheden werden uitgevoerd in september/oktober 2011.


Het Grôôt  'Ôôd na de restauratie; okt. 2011

Ko Gabriëlse

Gepl. dec. 2011; geact. 25-11-2013