D'n bakker van de Oude Markt

Zoals alle historici weten: de geschiedenis herhaalt zich nooit. Maar met de verhuizing van de bakkerswinkel van Koppejan in maart 2012 van de Noordstraat naar het Rabobank-pand aan de Zuidstraat, keerde de bakker toch terug naar de locatie waar ook in vroeger tijden, zelfs enkele eeuwen lang, een dorpsbakkerij gevestigd was.
Deze verhuizing is een mooie gelegenheid om in te zoomen op de geschiedenis van d’n bakker van de Oude Markt, later gewoonlijk De Kapelle genoemd.


De vlag uit bij de bakkerij op de Kapelle bij feestelijkheden in 1938

Brood en spelen op de Kapelle

In de directe omgeving van de huidige bakkerswinkel aan de Zuidstraat vestigde zich al ruim 250 jaar geleden ook een bakker. Die oorspronkelijke bakkerszaak heeft een interessante historie. Onder het motto van de latere bakker Van Sighem, Gerrit van Bert “De mensen blijven altijd brood eten”, hebben vele bakkers met wisselende successen daar hun strijd om het dagelijkse bestaan gevoerd.

Het begon allemaal toen op 1 maart 1755 de uit Steenbergen afkomstige Monseigneur Dirk Malipaart poorter van de smalstad Westkapelle werd. Poorter worden was noodzakelijk om onroerend goed binnen de stad te kunnen kopen. Op die zelfde dag koopt Dirk Malipaart dan ook onderhands een schuur van Huibregt Janzoon Huibregtse waarin hij kort daarop een bakkerij begint. Dat blijkt uit een geldlening van september 1755 waarvoor het gekochte pand als onderpand dient en als broodbakkerij wordt omschreven. Schijnbaar waren er in 1755 voldoende goed gesitueerde inwoners in Westkapelle die hun brood bij een bakker konden kopen. De gewone werkmensen hadden in die tijd meestal zelf een eigen oven aan huis waarin zij voor een hele week tegelijk hun brood bakten. Alleenstaanden en dergelijke, maar ook kleine gezinnen, bakten veelal niet zelf maar kneedden wel hun eigen brood en “bakten mee” in de oven van een kennis.


De Oude Markt of Kapelle vòòr 1900

Waarschijnlijk gingen de zaken toch niet zo best want de bakkerij wordt al snel verkocht. In 1757 verkoopt Dirk Malipaart onderhands aan Monseigneur Willem Oostdijk, meester timmerman binnen Middelburg, zijn bakkerszaak die omschreven wordt als: Een Huis met zijn erve en Schuur, Boorden, Trog, Toonbank en Bedplanken in dit Huis, zijnde het zelve een Broodbakkerij staande en gelegen binnen deze Stad (Westkapelle) aan de Oude Markt.
In maart 1758 werd de uit Middelburg afkomstige 18-jarige François Oostdijk, poorter van Westkapelle en vestigde zich als broodbakker in de genoemde bakkerij. Hij was vermoedelijk een zoon van de meestertimmerman Willem Oostdijk, die eigenaar van de bakkerij was.
In de zomer van 1765 trouwt François Oostdijk met Johanna Koole. In datzelfde jaar 1765 neemt François blijkens een schuldbrief op zijn naam met de bakkerij als onderpand, zelf de bakkerij over
Deze schuldbrief ten laste van François Oostdijk wordt in augustus 1769 overgenomen door Pieter Corneliszoon Hendrikse die hierdoor in het bezit van de bakkerij komt. Deze Pieter Corneliszoon Hendrikse wordt zelf bakker en van hem bestaat een fraaie anekdote.
In januari 1786 had deze bakker veel last van honden en katten die ongewenst zijn zaak binnendrongen en er met wat etenswaar vandoor gingen. Om van die lastposten af te komen bakte hij op een keer bewust twee kromme spelden mee in een brood en legde dat op een plaats in zijn zaak waar een hond of kat gemakkelijk bij kon. Zijn vrouw en kinderen werden hiervan verwittigd en hen werd op het hart gedrukt dit geprepareerde brood absoluut niet te verkopen. Toen de broodvoorraad bijna op was had de bakkersvrouw zonder na te denken het geprepareerde brood toch verkocht aan het dienstmeisje van Schepen (gemeenteraadslid) Verhulst. Toen de vrouw haar man vroeg nog wat brood bij te bakken omdat de voorraad op was, werd de vergissing ontdekt. Onmiddellijk ging de bakkersvrouw naar het huis van de Schepen Verhulst en vroeg het brood met de spelden terug. Gelukkig was het brood nog onaangeroerd en waren er geen ongelukken gebeurd. Maar het gerucht over deze ongewone handeling van bakker Hendrikse deed snel de ronde in zijn klantenkring. Ook het stadsbestuur ging zich er mee bemoeien en bakker Hendrikse moest over dit voorval uitleg komen geven. De bestuurders wilden niet geloven dat het alleen ’s bakkers bedoeling was geweest om een hond of een kat te pakken te nemen. De zaak werd zo hoog opgenomen dat de bakker drie weken na het voorval door de Baljuw (hoofd van politie) gevangen werd gezet.

Drie dagen nadat zijn gevangenneming richtte bakker Hendrikse zich met een verzoek tot het stadsbestuur. Hij zou de bakkerij binnen zes weken verkopen omdat hij nu het vertrouwen van de ingezetenen van Westkapelle verloren had.
De Burgemeesters en Schepenen legden hem nog een zware boete op en gingen akkoord met het beëindigen van zijn bakkersloopbaan.
Peter Sijnke, stadsarchivaris van de gemeente Middelburg diepte dit verhaal op uit de gerechtelijke archieven van Westkapelle die nu bewaard worden in het Zeeuws Archief in Middelburg. Het verhaal werd onder andere gepubliceerd in de PZC van 27 december 2006.

Op 10 mei 1786, ruim drie maanden na het voorval met de spelden in het brood verkocht Pieter Corneliszoon Hendrikse de bakkerszaak onderhands aan Salomon Boiserolle wonende te Middelburg. De 26-jarige Salomon was geboren op Zoutelande en wordt twee dagen na de koop van de bakkerij op 12 mei 1786 poorter van Westkapelle. Het betreffende pand wordt omschreven als: Een Huis zijnde een brood en zoete koek bakkerij met zijn verdere opstal en erve aan de Oude Markt te Westkapelle.


Brood en gebak in vroeger tijd (Peter Binoit, Stilleven met lettergebak, 1615)

In 1795 verkoopt Boiserolle de bakkerij aan Lourus Aarnoudzoon Huibregtse (1770-1833) en zijn vrouw Elizabeth Gabriëlse. Dit echtpaar exploiteert de bakkerij tot 1816.
Dan moet hun 19-jarige zoon Pieter trouwen met de 20-jarige Johanna Elizabeth de Wagemaker, een dochter van de hoofdonderwijzer van Westkapelle.
Pieter was in die periode woonachtig in Middelburg en waarschijnlijk bakker in opleiding. Het jonge stel trouwt op 12 oktober 1816. Een maand later koopt Pieter de bakkerszaak van zijn vader, Lourus Aarnoud Huibregtse. De koop wordt gesloten voor een bedrag van ƒ 1800,-- en Pieter leent voor deze overname een bedrag van ƒ 2400,-- van Lourus Willemse Roelse, ondercommies van de Polder Walcheren. Omdat het geleende bedrag veel groter is dan de waarde van het gekochte pand moet Pieters schoonvader, de schoolmeester Huibregt de Wagemaker borg staan voor het geleende bedrag. Dat doet hij door middel van zijn huis en een stukje bouwland. Waarom Pieter zoveel geld nodig had is niet duidelijk. De ouders van Pieter verhuizen kort na de verkoop van hun bakkerszaak naar Vlissingen.
In november 1818 overlijdt de moeder van Johanna Elizabeth de Wagemaker op 59-jarige leeftijd en een maand later in december 1818 haar vader, eveneens 59 jaar oud. De jonge bakker Pieter Huibregtse is door dit overlijden van het schoolmeestersechtpaar Huibregt de Wagemaker en Pieternella Broenjes nu zijn borg voor zijn geldlening kwijt en moet nu schijnbaar zijn zaak alweer verkopen.
In september 1819 verkoopt het jonge stel dan hun bakkerszaak onderhands aan de 19- jarige Johannes Kornelis Verhulst, zoon van Noach Willemse Verhulst, Oppercommies van de Polder Walcheren.
Pieter Lourus Huibregtse (1797-1839) en zijn vrouw Johanna Elizabeth de Wagemaker (1796-1878) blijven in Westkapelle wonen en Pieter wordt later als dijkwerker en magazijnbaas genoemd. Johanna Elizabeth werd na het overlijden van haar man nog schooljuffrouw.
De ouders van Pieter Huibregtse waren van Westkapelle vertrokken naar Vlissingen. Louwerens Aarnout Huijbregtsen is daar werkman en overlijdt in 1833, 63 jaar oud. Zijn vrouw Elizabeth Gabriëlse overlijdt in 1847 op 75-jarige leeftijd in Middelburg.
De nieuwe jonge bakker Johannes Kornelis Verhulst (1800-1879) is nog niet getrouwd als hij de bakkerszaak koopt. Hij is de zoon van de Commies van de Noordwatering uit het Polderhuis die tevens burgemeester van Westkapelle is. Johannes Kornelis Verhulst trouwt nadat hij de bakkerszaak gekocht heeft in april 1820 met Neeltje Roelse. Zij exploiteren de bakkerszaak tot ongeveer 1834 waarna ze nog wel winkel houden maar geen brood meer bakken. Dat komt waarschijnlijk doordat er afspraken gemaakt zijn met Leunis Adrianus Verhulst, broer van Johannes Kornelis Verhulst die ook broodbakker was geworden en sinds zijn trouwen met Maatje Roelse in 1828 een bakkerij had op de zuidoosthoek van de Noordstraat en de Bartstraat.
J.K. Verhulst en zijn vrouw Neeltje Roelse blijven wel de winkel exploiteren tot circa 1843. Daarna wordt J.K. Verhulst vermeld met als beroep particulier en is hij waarschijnlijk in dienst van de Polder Walcheren. De crisisjaren van die tijd zullen mede een rol gespeeld hebben in het teloor gaan van de winkel van dit gezin. De verlopen bakkerszaak is dan eigenlijk alleen een groot woonhuis voor dit gezin dat 10 kinderen kreeg waarvan er 6 tot volwassen leeftijd kwamen en op één na allen trouwden.
Als dan bij J.K. Verhulst de kinderen het huis uit zijn is het pand van de voormalige bakkerszaak waarschijnlijk als woonhuis te groot geworden voor alleen de ouders. Eind 1850 verkoopt J.K. Verhulst daarom zijn huis onderhands aan de Middelburgse notaris Abraham van den Broeke. J.K. Verhulst en zijn vrouw bleven nog een aantal jaren in  Westkapelle wonen maar verhuizen in 1863 naar Veere waar J.K. Verhulst dijkopzichter werd.
Abraham van den Broeke verkoopt het pand van de voormalige bakkerij, dat nu alleen een woonhuis genoemd wordt, in het voorjaar van 1851 weer aan de al in Westkapelle woonachtige Izaak Bernardus Bourdrez, ondercommies bij de Polder Walcheren. De verkoper Abraham van den Broeke leent hierbij onder bepaalde voorwaarden de volledige koopsom van het pand van ƒ 1550,-- voor een lange termijn aan de koper Isaak Bernardus Bourdrez.
Het gezin Bourdrez bewoont het pand tot dat het gezin in 1853 naar Vlissingen vertrekt. Isaak Bernardus Bourdrez blijft wel eigenaar maar het pand wordt dan gewoon als woning verhuurd.

Het bakkersgeslacht Van Sighem

Onder de genoemde omstandigheden betrekt begin mei 1858 dan het herbergiersgezin van Gerrit van Sighem (1812-1864) en zijn vrouw Maatje Huibregtse deze woning en komen de lasten van het pand met ingang van het jaar 1859 op naam van de minderjarige kinderen Klara (19), Pieter (18), Lambertus (10) en Adriana van Sighem (7) die dan als eigenaars genoteerd worden.
Gerrit van Sighem was eerst zetbaas in de herberg De Oranjeboom aan de overkant van de straat tegenover de bakkerszaak aan de Oude Markt. De herberg was eigendom van de overgrootmoeder van de vier kinderen van Gerrit van Sighem uit zijn eerste huwelijk. Door het overlijden van deze overgrootmoeder werd de herberg in het voorjaar van 1858 verkocht aan Lourus den Hollander. Het gezin van Gerrit van Sighem moest dus noodgedwongen de herberg verlaten. Zij waren niet alleen hun onderkomen, maar ook hun werk kwijt en moesten dus iets anders gaan doen. Met het geld dat de vier minderjarige kinderen van hun overgrootmoeder erfden werd de voormalige bakkerszaak gekocht en kwam die dus op naam van die kinderen te staan.


De Oude Markt of Kapelle zoals die er uitzag toen de familie Van Sighem zich er als bakker vestigde

Met deze nieuwe eigenaars brak er een nieuw tijdperk aan voor de bakkerszaak. Het gezin Van Sighem heeft de bakkerij weer nieuw leven ingeblazen welke business de volgende generaties van deze familie zo’n 140 jaar lang voort hebben gezet.
Vader Gerrit van Sighem Pieterzoon (1812-1864) die in 1858 dus noodgedwongen van herbergier bakker werd, had op dat moment al een bewogen leven achter zich.
Zijn vader was een zoon van de smid van Westkapelle en zijn moeder een dochter van bakker Salomon Boiserolle die van 1786 tot 1795 de zelfde bakkerij aan de Oude Markt geëxploiteerd had.
Salomon Boiserolle was in 1795 van Westkapelle weer terug gegaan naar Middelburg en oefende daar ook het beroep van bakker uit. Zijn dochter Johanna Boiserolle en zijn schoonzoon Pieter van Sighem (1792-1819) woonden ook in Middelburg en Pieter van Sighem was daar ook bakker. In 1812 werd hun zoon Gerrit dan ook in Middelburg geboren.
Het gezin Van Sighem-Boisserolle werd echter door het noodlot getroffen. Beide ouders stierven in 1819 kort na elkaar. Zoon Gerrit is in Middelburg als wees groot gebracht maar kreeg op de een of andere manier verkering met Elizabeth Lous dochter van de herbergier Pieter Lous uit de Westkappelse herberg De Oranjeboom. De vrouw van de herbergier was in 1834 overleden en toen zijn dochter Elizabeth in 1838 trouwde met Gerrit van Sighem trok dit jonge paar bij haar vader in.

Nadat in 1840 de herbergier Pieter Lous zelf was overleden nam Gerrit van Sighem in 1842 de herberg over uit de boedel van zijn overleden schoonvader.
Economisch waren de jaren 40 van de 19e eeuw een barre tijd. Ook de zaken in de  herberg De Oranjeboom gingen niet best. Dat blijkt uit een proces dat een leverancier van gedestilleerde drank uit Rotterdam in 1849 tegen Gerrit van Sighem aanspande. Deze had over de jaren 1845 tot en met 1847 een schuld bij deze leverancier opgebouwd van bijna 300 gulden. Voor zover bekend is Gerrit niet failliet verklaard, waarschijnlijk omdat hij maar één echte schuldeiser had. Gerrit kon schijnbaar niet betalen en hij kwam zelfs niet opdagen in augustus 1849 op de rechtszitting over deze zaak in Middelburg.
Zo gemakkelijk kwam Gerrit er echter niet van af en op 1 februari 1850 kwam de deurwaarder met veldwachter Van der Schaaf. Gerrit van Sighem moest mee naar Middelburg waar hij in gijzeling werd genomen in het Burgerlijk en Militair Huis van Verzekering. Vandaar uit machtigde hij eind februari zijn twee zwagers om zijn herberg te verkopen om op deze manier aan geld te komen om zijn schuld te kunnen afbetalen.
In april 1850 werd de herberg dan in een openbare veiling verkocht. Koper werd de 87-jarige Elizabeth Gabriëlse, grootmoeder van de vrouw van Gerrit van Sighem voor een bedrag van ƒ 5500,--. Hierdoor kon Gerrit van Sighem na zijn vrijlating in september 1850, nu als zetbaas, de exploitatie van de herberg voort zetten.
In januari 1853 overleed Gerrits vrouw Elizabeth Lous op 34 jarige leeftijd en zij liet op dat moment zes kinderen achter. Van de acht kinderen uit dit huwelijk, waren er al twee jong overleden. Kort na hun moeder overleden er nog twee kinderen. Gezien de sterfdatums is vermoedelijk een besmettelijke ziekte hiervan de oorzaak geweest. 
Gerrit (41) hertrouwde in 1854 met de weduwvrouw Maatje Huijbregtse (31). Zij bracht geen kinderen uit haar eerste huwelijk mee maar uit dit voor beiden tweede huwelijk werden weer wel kinderen geboren.
Gerrit bleef de herberg exploiteren tot dat eind 1857 de eigenaresse, de 94 jarige Elizabeth Gabriëlse overleed en de herberg weer openbaar verkocht moest worden. Nu werd na lang bieden Lourus den Hollander de koper van de herberg voor het aanzienlijke bedrag van ƒ 8100,--. Gerrit van Sighem was nu niet alleen zijn huis maar ook zijn werk kwijt.


Zicht op café De Oranjeboom (met Van Nelle-reclame), ooit uitgebaat door Gerrit van Sighem; daartegenover de bakkerij

Het gezin van Gerrit van Sighem vestigde zich daarna aan de overkant van de straat in het pand van de voormalige bakkerij van Johannes Kornelis Verhulst en zij begonnen die weer op te starten.
In april 1864 overleed bakker Gerrit van Sighem zelf op 52 jarige leeftijd en liet zijn tweede vrouw met vier kinderen uit zijn eerste huwelijk en drie van de vijf in zijn tweede huwelijk geboren kinderen achter.
De bakkerszaak stond op naam van de vier kinderen uit het eerste huwelijk en zo kon zijn tweede vrouw Maatje Huibregtse (40) met de kinderen Klara (24), Pieter (22), Lambertus (14), Adriana (12), Johanna (9), Maatje (7) en Jakobus (3) de bakkerij voort zetten.
Dan overlijden in 1868 eerst Adriana (16) en in 1869 Pieter van Sighem (28), beiden mede-eigenaren van de bakkerszaak.

In 1870 vertrekt Lambertus op 21 jarige leeftijd zonder vermelding van een beroep voor een jaar naar Colijnsplaat. Als hij in 1871 terug komt wordt als zijn beroep ”Broodbakker” opgegeven. In Colijnsplaat zal hij dus waarschijnlijk bij een bakker in de leer zijn geweest om het bakkersvak goed onder de knie te krijgen.

In 1870 trouwt ook de dochter Klara van Sighem (30) met de weduwnaar Abraham Minderhoud (44). Als haar man in 1871 al overlijdt blijkt uit de boedelbeschrijving dat Klara van Sighem nog voor 27/64 deel mede-eigenaar van de bakkerszaak aan de Oude Markt is, die door de overige gezinsleden van Maatje van Sighem-Huibregtse wordt geexploiteerd. In dit gezin worden nu ook als bijverdienste kostgangers gehouden die hoofdzakelijk hulponderwijzers zijn. Waarschijnlijk hebben zij gestimuleerd dat de jongste zoon Jakobus van Sighem ook in Middelburg voor hulponderwijzer ging studeren. In november 1879 komt Jakobus, negentien jaar oud als hulponderwijzer uit Middelburg terug. Daarna is het onduidelijk wat deze jongeman allemaal gedaan heeft. Pas in januari 1901 komt hij weer terug in Westkapelle.
Dochter Johanna trouwt in 1880 op 25-jarige leeftijd en in 1892 trouwt uiteindelijk ook Lambertus nog op 43-jarige leeftijd met de 36-jarige Jakoba Minderhoud. Met dit laatste huwelijk wordt de basis gelegd voor een nieuwe generatie Van Sighem-bakkers. Al vlug worden uit dit nieuw gezin een dochter Elizabeth (1894) en drie zonen Aarnoud (1895), Gerrit (1897) en Andries (1900) geboren waarvan de jongste twee later allebei bakker zullen worden.
De (stief)moeder Maatje Huibregtse (69) en haar ongehuwde dochter Maatje (37), halfzuster van Lambertus waarmee hij vele jaren samen alle tegenslagen getrotseerd en samen gewerkt had, maakten na zijn trouwen plaats voor het nieuwe gezin en gingen in een huisje in het Bartstraatje wonen waar zij ook weer leerkrachten als kostgangers in huis namen.
Daar trok in januari 1901 de al eerder genoemde zoon, hulponderwijzer Jakobus van Sighem (41) weer bij zijn moeder in. Als beroep van hem wordt genoteerd dat hij ambtenaar is in de Republiek Zuid-Afrika afdeling Mijnexploitatie. Hij blijft in Westkapelle tot januari 1903 wanneer hij weer naar Transvaal vertrekt.
Omstreeks 1905 verhuisden moeder en dochter Maatje naar een nieuw huis aan de noordzijde van het oostelijkste deel van de Zuidstraat. De weduwe Maatje van Sighem-Huibregtse stierf in 1921 op 97-jarige leeftijd en haar ongehuwde dochter Maatje van Sighem op 82-jarige leeftijd in 1939.
Elizabeth, dochter van Bert van Sighem en Jakoba Minderhoud trouwde in 1921 met iemand van buiten Westkapelle en ging op Souburg wonen.
De zonen Gerrit en Andries werkten in de bakkerszaak bij hun vader. Zoon Gerrit trouwde in 1927 met Suzanna Janse en Andries trouwde in 1928 met Willemina Toutenhoofd. Gerrit nam met zijn trouwen de bakkerszaak van zijn dan 78-jarige vader over en zoon Andries nam de bakkerszaak van bakker Herman verderop in het oostelijke stuk van de Zuidstraat over.

Zoon Aarnoud van Sighem werd waterbouwkundige en woonde na zijn trouwen in 1929 met een vrouw uit Westkapelle, gedurende zijn hele leven in IJmuiden.
De oude bakker Lambertus van Sighem vertrok na het overlijden van zijn vrouw Jakoba van Sighem-Minderhoud in 1931 naar zijn dochter Elizabeth Peeters-van Sighem op Souburg waar hij in 1932 op 82-jarige leeftijd overleed.
Direkt na de overname van de bakkerij in 1927 had Gerrit van Sighem, Gerrit van Bert zoals hij genoemd werd, een nieuwe oven in de bakkerszaak laten bouwen. Na het overlijden van zijn moeder en het vertrek van zijn vader naar Souburg liet Gerrit in 1931 heel het pand verbouwen en ontstond er een voor die tijd moderne bakkerszaak die op 3 oktober 1944 helaas door het bombardement op Westkapelle werd verwoest.


De moderne bakkerij Van Sighem in 1935; verwoest 3-10-1944

Direct na de oorlog, al voor dat de dijk dicht was, werd er gewerkt aan de plannen voor de wederopbouw van Westkapelle met een aangepast stratenplan. Doordat de nieuwe, zogenaamde Nooddijk gedeeltelijk door het zuidwestelijke gedeelte van het oorspronkelijke dorp liep moest de loop van een stuk van de Zuidstraat hierop worden aangepast. De nieuw geplande panden in dit gedeelte van de nieuwe Zuidstraat kregen echter veel minder diepe percelen dan de oorspronkelijke panden hadden. Daarom koos bakker Gerrit van Sighem er voor zijn zaak niet bij de oorspronkelijke locatie herbouwde, maar op een perceel van voldoende grootte aan de Noordstraat.
Een niet onbelangrijk voordeel van de verplaatsing van dit zakenpand was ook dat de wederopbouw in de Noordstraat al in een vroeg stadium startte. Omstreeks mei 1948 kon de toen 50-jarige bakker Gerrit van Sighem zijn nieuwe bakkerij met bakkerswinkel en woonhuis op het adres Noordstraat 20 al in gebruik nemen.
De zoon van Gerrit, Lambertus van Sighem (Bert van Gerrit, 1929–2009) werkte ook in de bakkerij van zijn vader. Bij zijn trouwen in maart 1957 nam Bert van Sighem de bakkerszaak van zijn vader over. Vader Gerrit bleef echter gewoon mee werken in de bakkerij en verzorgde o.a. van oudsher het uitleuren van het brood door de straten van Westkapelle.
De bakkerij van Bert van Sighem behield als enige zijn zelfstandigheid toen alle drie de andere bakkerijen van Westkapelle in 1965 opgingen in de Delta Bakkerij NV. Deze nieuwe broodfabriek op het voormalige Noordervroon voorzag in de loop van de volgende jaren veel oorspronkelijke bakkers in dorpen en steden in de wijde omtrek van brood en andere bakkerijproducten.


De bakkerij Van Sighem aan de Noordstraat omstreeks 1985

Bakkerij Van Sighem overleefde de concurrentiestrijd tegen de schaalvergroting in de bakkerswereld en bleef zelfstandig. Dat lukte o.a. doordat de bakkerij zich richtte op de wat meer luxe brood- en gebaksartikelen.
Omstreeks 1997 nam op zijn beurt Berts zoon Gerbert van Sighem de bakkerij van zijn vader over. Maar deze jonge ondernemer besloot in 2001 te stoppen met zijn bedrijf.

Bank wordt weer bakker

Nadat er in 2001 een einde was gekomen aan de zelfstandige bakkerij Van Sighem hebben anderen dat bedrijf voortgezet. Aanvankelijk werd de zaak aan de Noordstraat verhuurd aan de firma de Vreeze uit Oostkapelle.
In maart 2002 werd uiteindelijk de gehele bakkerij met bakkerswinkel overgenomen door het familiebedrijf Koppejan uit Meliskerke. Dit familiebedrijf had al meerdere verkooppunten in andere dorpen en breidde het bakkersassortiment in Westkapelle tevens uit met o.a. zuivelproducten.

En deze bakker verhuisde dus in het voorjaar van 2012 naar een historische locatie. Al lijkt die in weinig meer op die van vroeger, in het wederopbouwplan van Westkapelle is hier bewust een nieuw soort Kapelle gecreëerd.


De bakkerij Koppejan aan de Zuidstraat in 2012; rechts de situering ten opzichte van de vooroorlogse toestand

Ko Gabriëlse
Gepl.: feb. 2012; gew. 27-11-2013